BWBR0012538
Geldig vanaf 2014-12-09
Artikel 3
Regeling boorduitrusting
1. Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met:
a. een VHF-zend/ontvangstinstallatie die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en vierde lid, van Verordening (EU) nr. 1079/2012;
b. radioapparatuur met 8,33 kHz-kanaalafstand, indien de vlucht wordt uitgevoerd in gebieden waar een omzetting naar 8,33 kHz-kanaalafstand heeft plaatsgevonden;
c. navigatieboordapparatuur waarmee de vlucht kan worden uitgevoerd volgens het operationeel vliegplan waarbij gebruik gemaakt wordt van luchtverkeersroutes en -procedures vastgesteld door de Minister, die voldoet aan de eisen gesteld in bijlage 10, boek I (Radio Navigation Aids), van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart;
d. een SSR-transponder met mode S/ELS, die voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 10, boek IV (Surveillance Radar and Collision Avoidance Systems) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, en
e. een SSR transponder met Mode S/EHS, die voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 10, boek IV (Surveillance Radar and Collision Avoidance Systems) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, voor het uitvoeren van vluchten als GAT op vliegniveau 245 of hoger, met een luchtvaartuig met een maximum toegelaten startmassa boven 5700 kg, of een maximum ware luchtsnelheid tijdens de kruisvlucht van meer dan 250 knopen.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 9, eerste tot en met het elfde lid, van de Verordening (EU) nr. 1079/2012, van toepassing op staatsluchtvaartuigen.
3. Het eerste lid, onderdelen c, d en e, zijn niet van toepassing op staatsluchtvaartuigen, indien deze beschikken over een systeem met een gelijkwaardig veiligheidsniveau als de in die onderdelen genoemde systemen.
4. Voor het volgen van een luchtverkeersroute op vliegniveau 100 en hoger is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig uitgerust met een installatie die het mogelijk maakt om met RNAV luchtverkeersroutes te vliegen met een afwijking van ten hoogste 5 zeemijlen tijdens ten minste 95% van de vliegtijd en die is toegelaten op basis van JAA Advisory Circular Joint 20X4 ‘Airworthiness Approval and Operational Criteria for the use of Navigation Systems in European Airspace Designated for Basic RNAV Operations’.
5. Voor het naderen en vertrekken van de luchthaven Schiphol of de luchthaven Lelystad is een luchtvaartuig, niet zijnde een helikopter of een staatsluchtvaartuig, dat navigeert op basis van instrumenten uitgerust met een installatie die het mogelijk maakt om met RNAV naderings- en vertrekroutes in het naderingsgebied van Schiphol, en de naderingsgebieden van Lelystad te vliegen met een afwijking van ten hoogste één zeemijl tijdens ten minste 95 procent van de vliegtijd en die is toegelaten op basis van de eisen ten aanzien van RNAV 1, zoals opgenomen in Certification Specification CS-ACNS Issue 2 van EASA’ van de Joint Aviation Authorities of vergelijkbaar en gecertificeerd is door de nationale bevoegde autoriteit.
a. een VHF-zend/ontvangstinstallatie die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en vierde lid, van Verordening (EU) nr. 1079/2012;
b. radioapparatuur met 8,33 kHz-kanaalafstand, indien de vlucht wordt uitgevoerd in gebieden waar een omzetting naar 8,33 kHz-kanaalafstand heeft plaatsgevonden;
c. navigatieboordapparatuur waarmee de vlucht kan worden uitgevoerd volgens het operationeel vliegplan waarbij gebruik gemaakt wordt van luchtverkeersroutes en -procedures vastgesteld door de Minister, die voldoet aan de eisen gesteld in bijlage 10, boek I (Radio Navigation Aids), van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart;
d. een SSR-transponder met mode S/ELS, die voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 10, boek IV (Surveillance Radar and Collision Avoidance Systems) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, en
e. een SSR transponder met Mode S/EHS, die voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 10, boek IV (Surveillance Radar and Collision Avoidance Systems) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, voor het uitvoeren van vluchten als GAT op vliegniveau 245 of hoger, met een luchtvaartuig met een maximum toegelaten startmassa boven 5700 kg, of een maximum ware luchtsnelheid tijdens de kruisvlucht van meer dan 250 knopen.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 9, eerste tot en met het elfde lid, van de Verordening (EU) nr. 1079/2012, van toepassing op staatsluchtvaartuigen.
3. Het eerste lid, onderdelen c, d en e, zijn niet van toepassing op staatsluchtvaartuigen, indien deze beschikken over een systeem met een gelijkwaardig veiligheidsniveau als de in die onderdelen genoemde systemen.
4. Voor het volgen van een luchtverkeersroute op vliegniveau 100 en hoger is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig uitgerust met een installatie die het mogelijk maakt om met RNAV luchtverkeersroutes te vliegen met een afwijking van ten hoogste 5 zeemijlen tijdens ten minste 95% van de vliegtijd en die is toegelaten op basis van JAA Advisory Circular Joint 20X4 ‘Airworthiness Approval and Operational Criteria for the use of Navigation Systems in European Airspace Designated for Basic RNAV Operations’.
5. Voor het naderen en vertrekken van de luchthaven Schiphol of de luchthaven Lelystad is een luchtvaartuig, niet zijnde een helikopter of een staatsluchtvaartuig, dat navigeert op basis van instrumenten uitgerust met een installatie die het mogelijk maakt om met RNAV naderings- en vertrekroutes in het naderingsgebied van Schiphol, en de naderingsgebieden van Lelystad te vliegen met een afwijking van ten hoogste één zeemijl tijdens ten minste 95 procent van de vliegtijd en die is toegelaten op basis van de eisen ten aanzien van RNAV 1, zoals opgenomen in Certification Specification CS-ACNS Issue 2 van EASA’ van de Joint Aviation Authorities of vergelijkbaar en gecertificeerd is door de nationale bevoegde autoriteit.