BWBR0012538
Geldig vanaf 2014-12-09
Artikel 13
Regeling boorduitrusting
1. De Minister kent aan elk luchtvaartuig op aanvraag een 24-bit luchtvaartuigadres toe dat geregistreerd wordt in een gegevensbestand, aangehouden door de Inspectie Leefomgeving en Transport.
2. Het digitale signaal van de ELT bevat, behoudens in uitzonderlijke gevallen, het 24-bit luchtvaartuigadres van het bijbehorende luchtvaartuig, ten behoeve van de identificatie.
3. Gebruikers van luchtvaartuigen die ELT’s vervangen, plaatsen ELT’s die zijn gecodeerd met het 24-bit luchtvaartuigadres volgens het ‘serialized user protocol’ of het ‘standard location protocol’.
4. De toekenning van het 24-bit luchtvaartuigadres, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door tussenkomst van de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Bij de aanvraag wordt het registratiekenmerk, het type en het serienummer van het luchtvaartuig vermeld.
5. De codering volgens het ‘serialized user protocol’ of het ‘standard location protocol’ resulteert in een 15-digit hexadecimale code.
6. De 15-digit hexadecimale codes, alsmede de wijzigingen daarin en de bijbehorende gegevens van het vliegtuig, de gegevens van de contactpersonen, worden door de inspecteur-generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat opgenomen in het gegevensbestand van de opsporings- en reddingsdienst in Nederland. Uitsluitend ELT’s die zijn geprogrammeerd op de in dit artikel bedoelde wijze worden in het gegevensbestand van de opsporings-en reddingsdienst in Nederland opgenomen, alsmede afwijkend geprogrammeerde ELT’s na verkregen toestemming van de Minister.
7. Voor luchtvaartuigen die een 24-bit luchtvaartuigadres voor andere doeleinden in gebruik hebben, wordt dit adres gebruikt voor de bij het luchtvaartuig behorende ELT’s.
8. Details ten behoeve van de registratie worden middels een AIC als bedoeld in artikel 1 van de Regeling Burgerluchtvaartinlichtingenof middels de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport bekend gesteld.
2. Het digitale signaal van de ELT bevat, behoudens in uitzonderlijke gevallen, het 24-bit luchtvaartuigadres van het bijbehorende luchtvaartuig, ten behoeve van de identificatie.
3. Gebruikers van luchtvaartuigen die ELT’s vervangen, plaatsen ELT’s die zijn gecodeerd met het 24-bit luchtvaartuigadres volgens het ‘serialized user protocol’ of het ‘standard location protocol’.
4. De toekenning van het 24-bit luchtvaartuigadres, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door tussenkomst van de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Bij de aanvraag wordt het registratiekenmerk, het type en het serienummer van het luchtvaartuig vermeld.
5. De codering volgens het ‘serialized user protocol’ of het ‘standard location protocol’ resulteert in een 15-digit hexadecimale code.
6. De 15-digit hexadecimale codes, alsmede de wijzigingen daarin en de bijbehorende gegevens van het vliegtuig, de gegevens van de contactpersonen, worden door de inspecteur-generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat opgenomen in het gegevensbestand van de opsporings- en reddingsdienst in Nederland. Uitsluitend ELT’s die zijn geprogrammeerd op de in dit artikel bedoelde wijze worden in het gegevensbestand van de opsporings-en reddingsdienst in Nederland opgenomen, alsmede afwijkend geprogrammeerde ELT’s na verkregen toestemming van de Minister.
7. Voor luchtvaartuigen die een 24-bit luchtvaartuigadres voor andere doeleinden in gebruik hebben, wordt dit adres gebruikt voor de bij het luchtvaartuig behorende ELT’s.
8. Details ten behoeve van de registratie worden middels een AIC als bedoeld in artikel 1 van de Regeling Burgerluchtvaartinlichtingenof middels de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport bekend gesteld.