BWBR0012019
Geldig vanaf 2009-12-03
Artikel 62
Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart
1. In afwijking van het verbod van artikel 4kan afvalwater dat ladingrestanten bevat van een goederensoort waarvoor in bij regeling van Onze Minister te bepalen gevallen een losstandaard is aangegeven, in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht indien:
a. zodanig afvalwater ingevolge artikel 45 op of in het schip is achtergelaten;
b. de restlading overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.4 is verwijderd uit het laadruim of de ladingtank en het leidingsysteem en
c. een en ander blijkt uit een losverklaring die voldoet aan het bepaalde in paragraaf 3.6.
2. In afwijking van het verbod van artikel 4kan voorts in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht:
a. ballastwater uit ballasttanks, ballastwater dat blijkens een losverklaring welke voldoet aan het bepaalde in paragraaf 3.6 afkomstig is uit een gewassen laadruim of ladingtank, regenwater of buiswater;
b. waswater dat afkomstig is van een bezemschone gangboord of van een andere licht verontreinigde oppervlakte van het schip of
c. afvalwater dat ladingrestanten bevat van een goederensoort waarvoor in bij regeling van Onze Minister te bepalen gevallen een losstandaard is aangegeven en dat, blijkens een losverklaring die voldoet aan het bepaalde in paragraaf 3.6, afkomstig is uit een laadruim of ladingtank waaruit de restlading is verwijderd overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.4.
3. In afwijking van het verbod van artikel 4kunnen dampen, ten aanzien waarvan de afgifte aan de atmosfeer door middel van ventileren overeenkomstig Aanhangsel IIIa behorende bij de Uitvoeringsregeling uitdrukkelijk is toegestaan, in de atmosfeer worden gebracht.
4. In afwijking van het verbod van artikel 4kunnen dampen, met inachtneming van de bepalingen van aanhangsel IIIa, behorende bij de Uitvoeringsregeling en onderdeel 7.2.3.7 van het ADN, worden uitgestoten indien dit wordt vereist door een onvoorzien verblijf op de scheepswerf of door een onvoorziene reparatie ter plaatse door een scheepswerf of een andere gespecialiseerde onderneming en de dampen niet naar een ontvangstvoorziening kunnen worden afgevoerd. Daarbij moet de plaats waar de dampen worden uitgestoten alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof of de dampen zo nauwkeurig mogelijk worden aangeven.
a. zodanig afvalwater ingevolge artikel 45 op of in het schip is achtergelaten;
b. de restlading overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.4 is verwijderd uit het laadruim of de ladingtank en het leidingsysteem en
c. een en ander blijkt uit een losverklaring die voldoet aan het bepaalde in paragraaf 3.6.
2. In afwijking van het verbod van artikel 4kan voorts in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht:
a. ballastwater uit ballasttanks, ballastwater dat blijkens een losverklaring welke voldoet aan het bepaalde in paragraaf 3.6 afkomstig is uit een gewassen laadruim of ladingtank, regenwater of buiswater;
b. waswater dat afkomstig is van een bezemschone gangboord of van een andere licht verontreinigde oppervlakte van het schip of
c. afvalwater dat ladingrestanten bevat van een goederensoort waarvoor in bij regeling van Onze Minister te bepalen gevallen een losstandaard is aangegeven en dat, blijkens een losverklaring die voldoet aan het bepaalde in paragraaf 3.6, afkomstig is uit een laadruim of ladingtank waaruit de restlading is verwijderd overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.4.
3. In afwijking van het verbod van artikel 4kunnen dampen, ten aanzien waarvan de afgifte aan de atmosfeer door middel van ventileren overeenkomstig Aanhangsel IIIa behorende bij de Uitvoeringsregeling uitdrukkelijk is toegestaan, in de atmosfeer worden gebracht.
4. In afwijking van het verbod van artikel 4kunnen dampen, met inachtneming van de bepalingen van aanhangsel IIIa, behorende bij de Uitvoeringsregeling en onderdeel 7.2.3.7 van het ADN, worden uitgestoten indien dit wordt vereist door een onvoorzien verblijf op de scheepswerf of door een onvoorziene reparatie ter plaatse door een scheepswerf of een andere gespecialiseerde onderneming en de dampen niet naar een ontvangstvoorziening kunnen worden afgevoerd. Daarbij moet de plaats waar de dampen worden uitgestoten alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof of de dampen zo nauwkeurig mogelijk worden aangeven.