BWBR0011826
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 8
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren
1. Indien op het moment van ontslag de duur van de uitkering berekend op basis van artikel 2, langer is dan de duur van de uitkering berekend op basis van de Werkloosheidswet, heeft de betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet heeft bereikt, met ingang van dat moment recht op een aansluitende uitkering, met dien verstande dat de verloren arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is, geen aanspraak geven op een uitkering krachtens dit besluit.
2. Op de aansluitende uitkering zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3en de artikelen 75, 76, 76a, 77aen 78 van de Werkloosheidswetvan overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het tweede lid eindigt het recht op een aansluitende uitkering niet voor zover de betrokkene:
a. recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Werkloosheidswet; of
b. geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a of b van de Werkloosheidswet vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de in artikel 19 van de Werkloosheidswet genoemde wetten is geëindigd; of
c. niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden in verband met een situatie als bedoeld in onderdeel a of b.
4. In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 19, eerste lid, onderdeel h, en 20, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswetniet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste lid.
5. Het recht op een aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, doch uiterlijk op de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.
2. Op de aansluitende uitkering zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3en de artikelen 75, 76, 76a, 77aen 78 van de Werkloosheidswetvan overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het tweede lid eindigt het recht op een aansluitende uitkering niet voor zover de betrokkene:
a. recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Werkloosheidswet; of
b. geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a of b van de Werkloosheidswet vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de in artikel 19 van de Werkloosheidswet genoemde wetten is geëindigd; of
c. niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden in verband met een situatie als bedoeld in onderdeel a of b.
4. In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 19, eerste lid, onderdeel h, en 20, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswetniet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste lid.
5. Het recht op een aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, doch uiterlijk op de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.