BWBR0011826
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 5a
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren
1. Indien de betrokkene gedurende de periode dat zij recht heeft op een uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>, in verband met zwangerschap en bevalling, adoptie onderscheidenlijk het opnemen van een pleegkind in het genot komt van een uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0013008" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet arbeid en zorg</a>, wordt de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg gedurende de periode waarin de betrokkene in het genot hiervan is, aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene geldende dagloon.
2. Indien het recht op uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>na afloop van de periode waarin de betrokkene in het genot van een uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0013008" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet arbeid en zorg</a>is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan die periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn gedurende welke krachtens de Wet arbeid en zorg een uitkering is genoten, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0013008" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet arbeid en zorg</a>steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten.
2. Indien het recht op uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>na afloop van de periode waarin de betrokkene in het genot van een uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0013008" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet arbeid en zorg</a>is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan die periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn gedurende welke krachtens de Wet arbeid en zorg een uitkering is genoten, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0013008" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet arbeid en zorg</a>steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten.