BWBR0011826
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 19
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren
1. Indien het niveau van de uitkering krachtens de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>een algemeen neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien na overleg met de Sectorcommissie rechterlijke macht, genoemd in <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/50" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 50, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>anders wordt overeengekomen, binnen zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst, op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van betrokkene, vanaf de datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst.
2. Indien in het overleg, bedoeld in het eerste lid, een geschil ontstaat, wordt de doorvoering van de neerwaartse wijziging, in afwijking van het eerste lid, opgeschort met ingang van de dag waarop het geschil voor advies dan wel arbitrale uitspraak is voorgelegd aan de commissie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/51" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 51, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde commissie blijkens zijn advies of arbitrale uitspraak geen bedenkingen heeft tegen doorvoering van de neerwaartse wijziging, wordt de maatregel op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van betrokkene vanaf de datum van inwerkingtreding daarvan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst. Indien de datum van inwerkingtreding van de bedoelde maatregel is gelegen op een tijdstip vóór het uitbrengen van het advies dan wel vóór de arbitrale uitspraak, vindt de doorvoering plaats vanaf de eerste dag na de maand waarin het advies is uitgebracht dan wel de arbitrale uitspraak is gedaan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst.
2. Indien in het overleg, bedoeld in het eerste lid, een geschil ontstaat, wordt de doorvoering van de neerwaartse wijziging, in afwijking van het eerste lid, opgeschort met ingang van de dag waarop het geschil voor advies dan wel arbitrale uitspraak is voorgelegd aan de commissie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/51" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 51, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde commissie blijkens zijn advies of arbitrale uitspraak geen bedenkingen heeft tegen doorvoering van de neerwaartse wijziging, wordt de maatregel op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van betrokkene vanaf de datum van inwerkingtreding daarvan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst. Indien de datum van inwerkingtreding van de bedoelde maatregel is gelegen op een tijdstip vóór het uitbrengen van het advies dan wel vóór de arbitrale uitspraak, vindt de doorvoering plaats vanaf de eerste dag na de maand waarin het advies is uitgebracht dan wel de arbitrale uitspraak is gedaan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst.