BWBR0011826
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 22
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren
1. Ontslaguitkeringen die aan de betrokkene zijn toegekend krachtens <a href="/wet/BWBR0006530/artikel/39" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 39, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>zoals dat luidde vóór het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0009267/artikel/53" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen</a>, blijven gehandhaafd voor de duur van de uitkering.
2. De rechterlijk ambtenaar die voor of op 31 december 1999 in tijdelijke dienst is aangesteld en die tot de datum van ontslag, die ligt op of na 1 januari 2001, onafgebroken in tijdelijke dienst is geweest, heeft recht op een aanvullende uitkering overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2.
2. De rechterlijk ambtenaar die voor of op 31 december 1999 in tijdelijke dienst is aangesteld en die tot de datum van ontslag, die ligt op of na 1 januari 2001, onafgebroken in tijdelijke dienst is geweest, heeft recht op een aanvullende uitkering overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2.