BWBR0011826
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 3
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren
1. De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, recht op een aanvullende uitkering, met dien verstande dat het recht op een aanvullende uitkering niet eerder ingaat dan op de dag waarop het ontslag in werking treedt.
2. Op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3, alsmede de artikelen 75, 76, 76a, 77aen 78 van de Werkloosheidswetvan overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het tweede lid, is artikel 41 van de Werkloosheidswetniet van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, en is artikel 47a van de Werkloosheidswetslechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering voor zover de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswetoverstijgen.
2. Op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3, alsmede de artikelen 75, 76, 76a, 77aen 78 van de Werkloosheidswetvan overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het tweede lid, is artikel 41 van de Werkloosheidswetniet van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, en is artikel 47a van de Werkloosheidswetslechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering voor zover de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswetoverstijgen.