BWBR0011826
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 2
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren
1. De uitkeringsduur van de bovenwettelijke uitkering bedraagt drie maal de uitkeringsduur zoals vastgesteld op grond van <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 2, paragraaf 4, van de Werkloosheidswet</a>.
2. De uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, indien het moment van ontslag maximaal acht jaar ligt voor de op dat moment voor betrokkene van toepassing zijnde AOW-gerechtigde leeftijd en hij direct voorafgaand aan het ontslag een voor pensioen geldige diensttijd van ten minste tien jaar heeft volbracht.
2. De uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, indien het moment van ontslag maximaal acht jaar ligt voor de op dat moment voor betrokkene van toepassing zijnde AOW-gerechtigde leeftijd en hij direct voorafgaand aan het ontslag een voor pensioen geldige diensttijd van ten minste tien jaar heeft volbracht.