BWBR0011756
Geldig vanaf 2019-04-03
Artikel 7a
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
1. Onze Minister houdt toezicht op het verblijf van personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in een inrichting plaatsvindt.
2. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren worden daartoe alle ter zake dienende inlichtingen verstrekt en zij hebben te allen tijde toegang tot een zodanige inrichting. Zij zijn, onder verplichting van geheimhouding tegenover derden en voor zover dit voor de uitoefening van hun taak redelijkerwijs nodig is, bevoegd de op personen als bedoeld in het eerste lid betrekking hebbende stukken in te zien.
3. Onze Minister stelt regels omtrent het houden van aantekeningen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/6:6:31" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6:6:31, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>en omtrent het houden van aantekeningen van andere belangrijke voorvallen ten tijde van het verblijf in de inrichting. Onze Minister kan daartoe een model vaststellen.
2. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren worden daartoe alle ter zake dienende inlichtingen verstrekt en zij hebben te allen tijde toegang tot een zodanige inrichting. Zij zijn, onder verplichting van geheimhouding tegenover derden en voor zover dit voor de uitoefening van hun taak redelijkerwijs nodig is, bevoegd de op personen als bedoeld in het eerste lid betrekking hebbende stukken in te zien.
3. Onze Minister stelt regels omtrent het houden van aantekeningen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/6:6:31" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6:6:31, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>en omtrent het houden van aantekeningen van andere belangrijke voorvallen ten tijde van het verblijf in de inrichting. Onze Minister kan daartoe een model vaststellen.