BWBR0011756
Geldig vanaf 2019-04-03
Artikel 58
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
1. Van elke strafoplegging dan wel wijziging daarvan houdt de directeur aantekening in een register.
2. Indien een straf ingevolge de hoofdstukken XII, XIIIof XIVgeheel of ten dele wordt herzien, houdt de directeur hiervan aantekening in een register.
3. De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders dan wel de gecertificeerde instelling, worden van het opleggen van een straf, bedoeld in artikel 55, eerste lid, en van de redenen daarvan op de hoogte gesteld. Ten aanzien van jeugdigen van achttien jaar en ouder is de instemming van de jeugdige vereist.
4. De directeur kan van het doen van mededelingen omtrent de redenen voor het opleggen van de straf afzien indien:
a. de ouders, voogd, stiefouder of pleegouders te kennen hebben gegeven niet betrokken te willen worden bij het verblijf van de jeugdige in de inrichting;
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich tegen het doen van deze mededelingen verzetten.
2. Indien een straf ingevolge de hoofdstukken XII, XIIIof XIVgeheel of ten dele wordt herzien, houdt de directeur hiervan aantekening in een register.
3. De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders dan wel de gecertificeerde instelling, worden van het opleggen van een straf, bedoeld in artikel 55, eerste lid, en van de redenen daarvan op de hoogte gesteld. Ten aanzien van jeugdigen van achttien jaar en ouder is de instemming van de jeugdige vereist.
4. De directeur kan van het doen van mededelingen omtrent de redenen voor het opleggen van de straf afzien indien:
a. de ouders, voogd, stiefouder of pleegouders te kennen hebben gegeven niet betrokken te willen worden bij het verblijf van de jeugdige in de inrichting;
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich tegen het doen van deze mededelingen verzetten.