BWBR0011756
Geldig vanaf 2019-04-03
Artikel 3b
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
1. Particuliere inrichtingen zijn in de Europese Economische Ruimte gevestigde rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid tot wier doelstelling opvang en behandeling van jeugdigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, behoren en die daartoe door Onze Minister zijn aangewezen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanwijzing als particuliere inrichting en de daaraan te verbinden voorwaarden, alsmede omtrent het verstrekken van subsidie. Hetgeen bij en krachtens de <a href="/wet/BWBR0034925/artikel/4.1.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 4.1.1, tweede lid, eerste volzin</a>, juncto <a href="/wet/BWBR0034925/artikel/4.1.5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet</a>is bepaald ten aanzien van jeugdhulpaanbieders, is voor wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling van overeenkomstige toepassing op particuliere inrichtingen.
3. Het beheer van een particuliere inrichting berust bij de directeur, die door het bestuur benoemd wordt. De directeur van een particuliere inrichting wijst met machtiging van het bestuur een of meer personen als zijn vervanger aan.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanwijzing als particuliere inrichting en de daaraan te verbinden voorwaarden, alsmede omtrent het verstrekken van subsidie. Hetgeen bij en krachtens de <a href="/wet/BWBR0034925/artikel/4.1.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 4.1.1, tweede lid, eerste volzin</a>, juncto <a href="/wet/BWBR0034925/artikel/4.1.5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet</a>is bepaald ten aanzien van jeugdhulpaanbieders, is voor wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling van overeenkomstige toepassing op particuliere inrichtingen.
3. Het beheer van een particuliere inrichting berust bij de directeur, die door het bestuur benoemd wordt. De directeur van een particuliere inrichting wijst met machtiging van het bestuur een of meer personen als zijn vervanger aan.