BWBR0011626
Geldig vanaf 1997-10-11
Artikel 5
Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang
1. De Minister verstrekt de volgende voorschotten op een verleende uitkering:
a. in december 1997 een bedrag van € 907,56 voor elke opvangplaats waarvoor in 1997 een uitkering is verleend;
b. in 1998 een bedrag van € 1 724,36 voor elke opvangplaats waarvoor in 1997 een uitkering is verleend, vermeerderd met een bedrag van € 1 043,69 voor elke opvangplaats waarvoor in 1998 krachtens artikel 4a een uitkering is verleend of een in 1997 verleende uitkering is verhoogd;
c. in 1999 een bedrag van € 1 588,23 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens de artikelen 3 en 4 of 4a een uitkering is verleend of verhoogd, vermeerderd met een bedrag van € 436,54 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of verhoogd;
d. in 2000 een bedrag van € 454,23 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens de artikelen 3 en 4 een uitkering is verleend, vermeerderd met: 1°. een bedrag van € 1 639,05 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uikering is verleend of verhoogd,
2°. een bedrag van € 995,59 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of verhoogd,
3°. 25% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd;
4°. het bedrag gelijk aan € 8 553 757,07 gedeeld door het aantal opvangplaatsen waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder c, een uitkering is verhoogd met een maximum van € 2 949,57 per opvangplaats;
1°. een bedrag van € 1 639,05 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uikering is verleend of verhoogd,
2°. een bedrag van € 995,59 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of verhoogd,
3°. 25% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd;
4°. het bedrag gelijk aan € 8 553 757,07 gedeeld door het aantal opvangplaatsen waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder c, een uitkering is verhoogd met een maximum van € 2 949,57 per opvangplaats;
e. in 2001 een bedrag van € 578,57 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens de artikelen 3 en 4 een uitkering is verleend, vermeerderd met: 1°. een bedrag van € 780,50 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uitkering is verleend of verhoogd,
2°. een bedrag van € 1.795,15 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of verhoogd,
3°. 25% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd;
4°. het bedrag waarmee krachtens artikel 2, vijfde lid, onder c, een uitkering is verhoogd, verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, onder d, onderdeel 4°;
1°. een bedrag van € 780,50 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uitkering is verleend of verhoogd,
2°. een bedrag van € 1.795,15 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of verhoogd,
3°. 25% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd;
4°. het bedrag waarmee krachtens artikel 2, vijfde lid, onder c, een uitkering is verhoogd, verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, onder d, onderdeel 4°;
f. in 2002 een bedrag van € 570,40 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens de artikelen 3 en 4 een uitkering is verleend, vermeerderd met: 1°. een bedrag van € 771,88 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uitkering is verleend of is verhoogd,
2°. een bedrag van € 2.596,08 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of is verhoogd,
3°. 50% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd.
1°. een bedrag van € 771,88 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uitkering is verleend of is verhoogd,
2°. een bedrag van € 2.596,08 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of is verhoogd,
3°. 50% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd.
g. in 2003 een bedrag van € 1768,60 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens de artikelen 3 en 4 een uitkering is verleend, vermeerderd met: 1e. een bedrag van € 24,40 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4c een uitkering is verleend of is verhoogd
2e. een bedrag van € 24,40 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4d een uitkering is verleend of is verhoogd.
1e. een bedrag van € 24,40 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4c een uitkering is verleend of is verhoogd
2e. een bedrag van € 24,40 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4d een uitkering is verleend of is verhoogd.
h. in 2003 een bedrag van € 73,05 voor elke opvangplaats waarvoor op grond van de artikelen 3, 4a en 4b een uitkering is verleend of verhoogd,
i. in 2003 een bedrag van € 73,05 voor elke opvangplaats waarvoor op grond van artikel 4d een uitkering is verleend of verhoogd.
2. Indien op grond van tussentijds door gemeenten verstrekte informatie blijkt dat de opvangplaatsen waarvoor een uitkering is verleend voor een deel niet zullen worden gerealiseerd, worden aanvragen van gemeenten die meer opvangplaatsen kunnen realiseren dan het aantal op grond waarvan een uitkering is verleend in behandeling genomen. Daartoe zal de Minister tegelijkertijd met het verzoek aan de gemeenten om aan te geven in hoeverre zij het in de vorige volzin genoemde aantal opvangplaatsen kunnen realiseren, gemeenten in de gelegenheid stellen een verhoging aan te vragen. Artikel 4b, vijfde, zevende en negende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De op grond van het tweede lid vrijgekomen middelen worden vermeerderd met € 6 216 788,96. Indien het totaal van de vermeerderingen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, minder bedraagt dan € 7 169 727,41, wordt dit mindere eveneens toegevoegd aan de op grond van het tweede lid vrijgekomen middelen.
a. in december 1997 een bedrag van € 907,56 voor elke opvangplaats waarvoor in 1997 een uitkering is verleend;
b. in 1998 een bedrag van € 1 724,36 voor elke opvangplaats waarvoor in 1997 een uitkering is verleend, vermeerderd met een bedrag van € 1 043,69 voor elke opvangplaats waarvoor in 1998 krachtens artikel 4a een uitkering is verleend of een in 1997 verleende uitkering is verhoogd;
c. in 1999 een bedrag van € 1 588,23 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens de artikelen 3 en 4 of 4a een uitkering is verleend of verhoogd, vermeerderd met een bedrag van € 436,54 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of verhoogd;
d. in 2000 een bedrag van € 454,23 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens de artikelen 3 en 4 een uitkering is verleend, vermeerderd met: 1°. een bedrag van € 1 639,05 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uikering is verleend of verhoogd,
2°. een bedrag van € 995,59 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of verhoogd,
3°. 25% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd;
4°. het bedrag gelijk aan € 8 553 757,07 gedeeld door het aantal opvangplaatsen waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder c, een uitkering is verhoogd met een maximum van € 2 949,57 per opvangplaats;
1°. een bedrag van € 1 639,05 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uikering is verleend of verhoogd,
2°. een bedrag van € 995,59 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of verhoogd,
3°. 25% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd;
4°. het bedrag gelijk aan € 8 553 757,07 gedeeld door het aantal opvangplaatsen waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder c, een uitkering is verhoogd met een maximum van € 2 949,57 per opvangplaats;
e. in 2001 een bedrag van € 578,57 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens de artikelen 3 en 4 een uitkering is verleend, vermeerderd met: 1°. een bedrag van € 780,50 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uitkering is verleend of verhoogd,
2°. een bedrag van € 1.795,15 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of verhoogd,
3°. 25% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd;
4°. het bedrag waarmee krachtens artikel 2, vijfde lid, onder c, een uitkering is verhoogd, verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, onder d, onderdeel 4°;
1°. een bedrag van € 780,50 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uitkering is verleend of verhoogd,
2°. een bedrag van € 1.795,15 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of verhoogd,
3°. 25% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd;
4°. het bedrag waarmee krachtens artikel 2, vijfde lid, onder c, een uitkering is verhoogd, verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, onder d, onderdeel 4°;
f. in 2002 een bedrag van € 570,40 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens de artikelen 3 en 4 een uitkering is verleend, vermeerderd met: 1°. een bedrag van € 771,88 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uitkering is verleend of is verhoogd,
2°. een bedrag van € 2.596,08 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of is verhoogd,
3°. 50% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd.
1°. een bedrag van € 771,88 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4a een uitkering is verleend of is verhoogd,
2°. een bedrag van € 2.596,08 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4b een uitkering is verleend of is verhoogd,
3°. 50% van het bedrag waarvoor krachtens artikel 2, vijfde lid, onder b, een uitkering is verhoogd.
g. in 2003 een bedrag van € 1768,60 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens de artikelen 3 en 4 een uitkering is verleend, vermeerderd met: 1e. een bedrag van € 24,40 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4c een uitkering is verleend of is verhoogd
2e. een bedrag van € 24,40 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4d een uitkering is verleend of is verhoogd.
1e. een bedrag van € 24,40 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4c een uitkering is verleend of is verhoogd
2e. een bedrag van € 24,40 voor elke opvangplaats waarvoor krachtens artikel 4d een uitkering is verleend of is verhoogd.
h. in 2003 een bedrag van € 73,05 voor elke opvangplaats waarvoor op grond van de artikelen 3, 4a en 4b een uitkering is verleend of verhoogd,
i. in 2003 een bedrag van € 73,05 voor elke opvangplaats waarvoor op grond van artikel 4d een uitkering is verleend of verhoogd.
2. Indien op grond van tussentijds door gemeenten verstrekte informatie blijkt dat de opvangplaatsen waarvoor een uitkering is verleend voor een deel niet zullen worden gerealiseerd, worden aanvragen van gemeenten die meer opvangplaatsen kunnen realiseren dan het aantal op grond waarvan een uitkering is verleend in behandeling genomen. Daartoe zal de Minister tegelijkertijd met het verzoek aan de gemeenten om aan te geven in hoeverre zij het in de vorige volzin genoemde aantal opvangplaatsen kunnen realiseren, gemeenten in de gelegenheid stellen een verhoging aan te vragen. Artikel 4b, vijfde, zevende en negende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De op grond van het tweede lid vrijgekomen middelen worden vermeerderd met € 6 216 788,96. Indien het totaal van de vermeerderingen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, minder bedraagt dan € 7 169 727,41, wordt dit mindere eveneens toegevoegd aan de op grond van het tweede lid vrijgekomen middelen.