BWBR0011626
Geldig vanaf 1997-10-11
Artikel 4b
Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang
1. In 1999 kan een uitkering worden verleend aan een gemeente waaraan in 1997 en 1998 geen uitkering is verleend.
2. Een in 1997 aan een gemeente verleende uitkering, die al dan niet in 1998 is verhoogd, en een in 1998 aan een gemeente verleende uitkering kunnen in 1999 worden verhoogd.
3. Het maximum aantal gerealiseerde opvangplaatsen waarvoor aan een gemeente in 1999 een uitkering kan worden verleend of waarvoor een in 1997 of 1998 verleende uitkering in 1999 kan worden verhoogd, bedraagt:
de som van
109,13 maal het verwachte aantal inwoners van 0 tot 20 jaar per 1 januari 2003 in de gemeente, zoals berekend door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de hand van landelijke bevolkingsprognoses van het Centraal Bureau voor de Statistiek en verwachtingen omtrent de woningvoorraad,
26,67 maal het aantal huishoudens met een laag inkomen in de gemeente, zoals verkregen van het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarbij de gegevens afkomstig zijn uit het Regionaal Inkomensonderzoek (RIO) 1996 en
52,36 maal het aantal inwoners in de gemeente dat tot de minderheden behoort, waarmee bij de bevoorschotting van de algemene uitkering uit het gemeentefonds voor het uitkeringsjaar 1998 voor de betaalmaand december 1998 is gerekend,
gedeeld door 11.968.
4. Ten aanzien van gemeenten die per 1 januari 1999 een wijziging van de indeling dan wel een grenscorrectie hebben ondergaan, wordt het maximum aantal gerealiseerde opvangplaatsen voor 1999 berekend door toepassing van het derde lid op de in 1998 bestaande gemeenten die per 1 januari 1999 een wijziging van de indeling dan wel een grenscorrectie hebben ondergaan, gecorrigeerd door toerekening naar rato van het aantal overgaande inwoners.
5. Voor de aanvraag van een in 1999 te verlenen uitkering of van een verhoging van een in 1997 of 1998 verleende uitkering, wordt gebruik gemaakt van een door de Minister daartoe vastgesteld aanvraagformulier.
6. Indien de som van de in 1999 aangevraagde uitkeringen lager is dan € 243 498 463,95 kan de Minister het maximum aantal opvangplaatsen voor een gemeente verhogen.
7. Indien een gemeente in 1999 in aanmerking wil komen voor een verhoging, doet zij daarvan op de aanvraag mededeling onder vermelding van het aantal opvangplaatsen van de gewenste verhoging.
8. Voor een verhoging als bedoeld in het zesde lid, komen bij voorrang in aanmerking de gemeenten, genoemd in de bijlagebij deze regeling, en vervolgens zo mogelijk ook de overige gemeenten.
9. De verhoging bedraagt het gevraagde aantal, tenzij de som van de in 1999 aangevraagde uitkeringen vermeerderd met de som van de in dat jaar aangevraagde verhogingen meer is dan € 243 498 463,95. In dat geval bedraagt de verhoging voor een gemeente niet meer dan:
het voor de betrokken gemeente overeenkomstig het derde lid geldende maximum aantal opvangplaatsen,
gedeeld door de som van dit maximum van alle gemeenten die een verhoging aanvragen,
vermenigvuldigd met het totaal aantal opvangplaatsen dat in 1999 voor verhoging beschikbaar is.
2. Een in 1997 aan een gemeente verleende uitkering, die al dan niet in 1998 is verhoogd, en een in 1998 aan een gemeente verleende uitkering kunnen in 1999 worden verhoogd.
3. Het maximum aantal gerealiseerde opvangplaatsen waarvoor aan een gemeente in 1999 een uitkering kan worden verleend of waarvoor een in 1997 of 1998 verleende uitkering in 1999 kan worden verhoogd, bedraagt:
de som van
109,13 maal het verwachte aantal inwoners van 0 tot 20 jaar per 1 januari 2003 in de gemeente, zoals berekend door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de hand van landelijke bevolkingsprognoses van het Centraal Bureau voor de Statistiek en verwachtingen omtrent de woningvoorraad,
26,67 maal het aantal huishoudens met een laag inkomen in de gemeente, zoals verkregen van het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarbij de gegevens afkomstig zijn uit het Regionaal Inkomensonderzoek (RIO) 1996 en
52,36 maal het aantal inwoners in de gemeente dat tot de minderheden behoort, waarmee bij de bevoorschotting van de algemene uitkering uit het gemeentefonds voor het uitkeringsjaar 1998 voor de betaalmaand december 1998 is gerekend,
gedeeld door 11.968.
4. Ten aanzien van gemeenten die per 1 januari 1999 een wijziging van de indeling dan wel een grenscorrectie hebben ondergaan, wordt het maximum aantal gerealiseerde opvangplaatsen voor 1999 berekend door toepassing van het derde lid op de in 1998 bestaande gemeenten die per 1 januari 1999 een wijziging van de indeling dan wel een grenscorrectie hebben ondergaan, gecorrigeerd door toerekening naar rato van het aantal overgaande inwoners.
5. Voor de aanvraag van een in 1999 te verlenen uitkering of van een verhoging van een in 1997 of 1998 verleende uitkering, wordt gebruik gemaakt van een door de Minister daartoe vastgesteld aanvraagformulier.
6. Indien de som van de in 1999 aangevraagde uitkeringen lager is dan € 243 498 463,95 kan de Minister het maximum aantal opvangplaatsen voor een gemeente verhogen.
7. Indien een gemeente in 1999 in aanmerking wil komen voor een verhoging, doet zij daarvan op de aanvraag mededeling onder vermelding van het aantal opvangplaatsen van de gewenste verhoging.
8. Voor een verhoging als bedoeld in het zesde lid, komen bij voorrang in aanmerking de gemeenten, genoemd in de bijlagebij deze regeling, en vervolgens zo mogelijk ook de overige gemeenten.
9. De verhoging bedraagt het gevraagde aantal, tenzij de som van de in 1999 aangevraagde uitkeringen vermeerderd met de som van de in dat jaar aangevraagde verhogingen meer is dan € 243 498 463,95. In dat geval bedraagt de verhoging voor een gemeente niet meer dan:
het voor de betrokken gemeente overeenkomstig het derde lid geldende maximum aantal opvangplaatsen,
gedeeld door de som van dit maximum van alle gemeenten die een verhoging aanvragen,
vermenigvuldigd met het totaal aantal opvangplaatsen dat in 1999 voor verhoging beschikbaar is.