BWBR0011626
Geldig vanaf 1997-10-11
Artikel 2
Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang
1. Aan een gemeente kan een uitkering worden verstrekt ten behoeve van de in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2003 gerealiseerde opvangplaatsen.
2. Aan een gemeente kan een uitkering worden verstrekt ten behoeve van de in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 dan wel 31 december 2004 gerealiseerde opvangplaatsen.
3. Onder gerealiseerde opvangplaatsen wordt verstaan:
a. de toename op 31 december 2002 van het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen, waarbij buitenschoolse opvang wordt aangeboden, ten opzichte van het aantal op 31 december 1996, dan wel de toename van het aantal buitenschoolse opvangplaatsen op 31 december 2003 ten opzichte van 31 december 1996, voor zover die plaatsen nog niet zijn gerealiseerd op 31 december 2002, en
b. de toename op 31 december 2002 van het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen, waarbij dagopvang wordt aangeboden, ten opzichte van het aantal op 31 december 1998, dan wel de toename van het aantal dagopvangplaatsen op 31 december 2003 ten opzichte van 31 december 1998, voor zover die plaatsen nog niet zijn gerealiseerd op 31 december 2002 en
c. de toename op 31 december 2003 dan wel 31 december 2004 van het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen, ten opzichte van het aantal op 31 december 2002, die niet tevens opvangplaatsen zijn als bedoeld onder a of b, waarvoor reeds op grond van de artikelen 4, 4a of 4b juncto 6a een uitkering is verleend.
4. Bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen blijven buiten beschouwing de opvangplaatsen die op 31 december 1996 in zoverre het buitenschoolse opvang betreft dan wel op 31 december 1998 in zoverre het dagopvang betreft, reeds in exploitatie waren bij kindercentra of bij gastouderbureaus die op die data door de gemeente niet werden gesubsidieerd of waarmee de gemeente geen overeenkomst tot het leveren van opvangplaatsen had gesloten.
5. De uitkering wordt slechts verstrekt, voor zover de kinderopvang wordt gerealiseerd door een kindercentrum of door middel van gastouderopvang.
6. De uitkering bestaat uit:
a. een bedrag van € 5939,22 per gerealiseerde opvangplaats als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b.
b. voor zover sprake is van buitenschoolse opvang vermeerderd met een bedrag van: 1° € 2 042,01 per opvangplaats die in 1997 is gerealiseerd, en 2° € 680,67 per opvangplaats die in 1998 is gerealiseerd, met dien verstande dat indien met de vermeerdering voor alle opvangplaatsen een bedrag van meer dan € 7 169 727,41 is gemoeid, de onder 1° en 2° genoemde bedragen met een zodanig percentage worden verlaagd dat het totaal van de vermeerderingen € 7 169 727,41bedraagt,
1° € 2 042,01 per opvangplaats die in 1997 is gerealiseerd,
2° € 680,67 per opvangplaats die in 1998 is gerealiseerd,
c. vermeerderd met een bedrag van ten hoogste € 2 949,57 per opvangplaats die uiterlijk 31 december 2001 is gerealiseerd en die de helft overschrijdt van het aantal opvangplaatsen waarvoor aan de gemeente op grond van de artikelen 3, 4, 4a en 4b een uitkering is verleend, met dien verstande dat indien met de vermeerdering voor alle opvangplaatsen een bedrag van meer dan € 41 634 334,83 is gemoeid, het bedrag per opvangplaats zodanig wordt verlaagd dat het totaal van de te verlenen vermeerderingen gelijk is aan € 41 634 334,83. Deze vermeerdering wordt verleend onder de voorwaarde dat de gemeente op 31 december 2002 90% gerealiseerd heeft van het aantal opvangplaatsen waarvoor de gemeente op grond van de artikelen 3, 4, 4a, 4b en 5, tweede lid, een uitkering is verleend,
d. vermeerderd met een bedrag van € 1768,60 per opvangplaats die uiterlijk 31 december 2002 is gerealiseerd en op 31 december 2003 nog in exploitatie is,
e. een bedrag van € 1841,65 per gerealiseerde opvangplaats als bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Voor het aanvragen van de onder b en c bedoelde vermeerderingen van de uitkering wordt gebruik gemaakt van door de minister daartoe vastgestelde aanvraagformulieren.
7. Een opvangplaats waarbij buitenschoolse opvang wordt aangeboden gedurende tenminste 1.050 uren per jaar wordt aangemerkt als één gerealiseerde opvangplaats.
8. Bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen waarbij dagopvang wordt aangeboden, wordt een opvangplaats vermenigvuldigd met de in de onderstaande tabel aangegeven factor zoals deze behoort bij het aantal aangeboden uren dagopvang per jaar:
a. tenminste 2.850 en minder dan 3.240 uren per jaar: 1,3;
b. tenminste 3.240 en minder dan 6.120 uren per jaar: 1,5;
c. 6.120 of meer uren per jaar: 3,5.
9. Bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, waarbij gastouderopvang wordt aangeboden, wordt:
a. voor de vaststelling per 31 december 2002, het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2002, 31 oktober 2002 en 31 december 2002 ten opzichte van het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 december 1996 en 31 maart 1997, in zoverre het buitenschoolse opvang betreft dan wel op 31 december 1998, 28 februari 1999 en 30 april 1999, in zoverre het dagopvang betreft, vermenigvuldigd met de factor 0,43;
b. voor de vaststelling per 31 december 2003, het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2003, 31 oktober 2003 en 31 december 2003 ten opzichte van het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 december 1996 en 31 maart 1997, in zoverre het buitenschoolse opvang betreft dan wel op 31 december 1998, 28 februari 1999 en 30 april 1999, in zoverre het dagopvang betreft, vermenigvuldigd met de factor 0,43.
Voor de toepassing van het vijfde lid, onder b, wordt bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen waarbij gastouderopvang wordt aangeboden, het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus, 31 oktober en 31 december in 1997 respectievelijk 1998 vermenigvuldigd met 0,43.
Voor de toepassing van het vijfde lid, onder c, wordt bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen waarbij gastouderopvang wordt aangeboden, het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2001, 31 oktober 2001 en 31 december 2001 vermenigvuldigd met 0,43.
10. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel c, wordt bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen, waarbij gastouderopvang wordt aangeboden, de toename gemeten van het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2003 dan wel 31 augustus 2004, 31 oktober 2003 dan wel 31 oktober 2004 en 31 december 2003 dan wel 31 december 2004 ten opzichte van het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2002, 31 oktober 2002 en 31 december 2002, vermenigvuldigd met een factor 0,43. Bij de vaststelling van het gemiddelde aantal koppelingen, worden de koppelingen die betrekking hebben op opvangplaatsen als bedoeld in het derde lid onderdelen a of b, buiten beschouwing gelaten.
11. Bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen waarbij buitenschoolse opvang wordt aangeboden, wordt het aantal opvangplaatsen waarvan de aangeboden uren opvang per jaar 1.650 of meer uren per jaar bedragen, vermenigvuldigd met 1,2.
2. Aan een gemeente kan een uitkering worden verstrekt ten behoeve van de in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 dan wel 31 december 2004 gerealiseerde opvangplaatsen.
3. Onder gerealiseerde opvangplaatsen wordt verstaan:
a. de toename op 31 december 2002 van het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen, waarbij buitenschoolse opvang wordt aangeboden, ten opzichte van het aantal op 31 december 1996, dan wel de toename van het aantal buitenschoolse opvangplaatsen op 31 december 2003 ten opzichte van 31 december 1996, voor zover die plaatsen nog niet zijn gerealiseerd op 31 december 2002, en
b. de toename op 31 december 2002 van het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen, waarbij dagopvang wordt aangeboden, ten opzichte van het aantal op 31 december 1998, dan wel de toename van het aantal dagopvangplaatsen op 31 december 2003 ten opzichte van 31 december 1998, voor zover die plaatsen nog niet zijn gerealiseerd op 31 december 2002 en
c. de toename op 31 december 2003 dan wel 31 december 2004 van het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen, ten opzichte van het aantal op 31 december 2002, die niet tevens opvangplaatsen zijn als bedoeld onder a of b, waarvoor reeds op grond van de artikelen 4, 4a of 4b juncto 6a een uitkering is verleend.
4. Bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen blijven buiten beschouwing de opvangplaatsen die op 31 december 1996 in zoverre het buitenschoolse opvang betreft dan wel op 31 december 1998 in zoverre het dagopvang betreft, reeds in exploitatie waren bij kindercentra of bij gastouderbureaus die op die data door de gemeente niet werden gesubsidieerd of waarmee de gemeente geen overeenkomst tot het leveren van opvangplaatsen had gesloten.
5. De uitkering wordt slechts verstrekt, voor zover de kinderopvang wordt gerealiseerd door een kindercentrum of door middel van gastouderopvang.
6. De uitkering bestaat uit:
a. een bedrag van € 5939,22 per gerealiseerde opvangplaats als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b.
b. voor zover sprake is van buitenschoolse opvang vermeerderd met een bedrag van: 1° € 2 042,01 per opvangplaats die in 1997 is gerealiseerd, en 2° € 680,67 per opvangplaats die in 1998 is gerealiseerd, met dien verstande dat indien met de vermeerdering voor alle opvangplaatsen een bedrag van meer dan € 7 169 727,41 is gemoeid, de onder 1° en 2° genoemde bedragen met een zodanig percentage worden verlaagd dat het totaal van de vermeerderingen € 7 169 727,41bedraagt,
1° € 2 042,01 per opvangplaats die in 1997 is gerealiseerd,
2° € 680,67 per opvangplaats die in 1998 is gerealiseerd,
c. vermeerderd met een bedrag van ten hoogste € 2 949,57 per opvangplaats die uiterlijk 31 december 2001 is gerealiseerd en die de helft overschrijdt van het aantal opvangplaatsen waarvoor aan de gemeente op grond van de artikelen 3, 4, 4a en 4b een uitkering is verleend, met dien verstande dat indien met de vermeerdering voor alle opvangplaatsen een bedrag van meer dan € 41 634 334,83 is gemoeid, het bedrag per opvangplaats zodanig wordt verlaagd dat het totaal van de te verlenen vermeerderingen gelijk is aan € 41 634 334,83. Deze vermeerdering wordt verleend onder de voorwaarde dat de gemeente op 31 december 2002 90% gerealiseerd heeft van het aantal opvangplaatsen waarvoor de gemeente op grond van de artikelen 3, 4, 4a, 4b en 5, tweede lid, een uitkering is verleend,
d. vermeerderd met een bedrag van € 1768,60 per opvangplaats die uiterlijk 31 december 2002 is gerealiseerd en op 31 december 2003 nog in exploitatie is,
e. een bedrag van € 1841,65 per gerealiseerde opvangplaats als bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Voor het aanvragen van de onder b en c bedoelde vermeerderingen van de uitkering wordt gebruik gemaakt van door de minister daartoe vastgestelde aanvraagformulieren.
7. Een opvangplaats waarbij buitenschoolse opvang wordt aangeboden gedurende tenminste 1.050 uren per jaar wordt aangemerkt als één gerealiseerde opvangplaats.
8. Bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen waarbij dagopvang wordt aangeboden, wordt een opvangplaats vermenigvuldigd met de in de onderstaande tabel aangegeven factor zoals deze behoort bij het aantal aangeboden uren dagopvang per jaar:
a. tenminste 2.850 en minder dan 3.240 uren per jaar: 1,3;
b. tenminste 3.240 en minder dan 6.120 uren per jaar: 1,5;
c. 6.120 of meer uren per jaar: 3,5.
9. Bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, waarbij gastouderopvang wordt aangeboden, wordt:
a. voor de vaststelling per 31 december 2002, het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2002, 31 oktober 2002 en 31 december 2002 ten opzichte van het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 december 1996 en 31 maart 1997, in zoverre het buitenschoolse opvang betreft dan wel op 31 december 1998, 28 februari 1999 en 30 april 1999, in zoverre het dagopvang betreft, vermenigvuldigd met de factor 0,43;
b. voor de vaststelling per 31 december 2003, het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2003, 31 oktober 2003 en 31 december 2003 ten opzichte van het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 december 1996 en 31 maart 1997, in zoverre het buitenschoolse opvang betreft dan wel op 31 december 1998, 28 februari 1999 en 30 april 1999, in zoverre het dagopvang betreft, vermenigvuldigd met de factor 0,43.
Voor de toepassing van het vijfde lid, onder b, wordt bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen waarbij gastouderopvang wordt aangeboden, het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus, 31 oktober en 31 december in 1997 respectievelijk 1998 vermenigvuldigd met 0,43.
Voor de toepassing van het vijfde lid, onder c, wordt bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen waarbij gastouderopvang wordt aangeboden, het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2001, 31 oktober 2001 en 31 december 2001 vermenigvuldigd met 0,43.
10. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel c, wordt bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen, waarbij gastouderopvang wordt aangeboden, de toename gemeten van het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2003 dan wel 31 augustus 2004, 31 oktober 2003 dan wel 31 oktober 2004 en 31 december 2003 dan wel 31 december 2004 ten opzichte van het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2002, 31 oktober 2002 en 31 december 2002, vermenigvuldigd met een factor 0,43. Bij de vaststelling van het gemiddelde aantal koppelingen, worden de koppelingen die betrekking hebben op opvangplaatsen als bedoeld in het derde lid onderdelen a of b, buiten beschouwing gelaten.
11. Bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen waarbij buitenschoolse opvang wordt aangeboden, wordt het aantal opvangplaatsen waarvan de aangeboden uren opvang per jaar 1.650 of meer uren per jaar bedragen, vermenigvuldigd met 1,2.