BWBR0011234
Geldig vanaf 2000-03-19
Artikel 9
Regeling beëindiging veehouderijtakken
1. Indien beëindiging van een of meer veehouderijtakken als bedoeld in artikel 7plaatsvindt, verstrekt de minister naast de subsidie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, op aanvraag een subsidie voor de afbraak van de gebouwen, bestemd voor de uitoefening van de veehouderijtakken die worden beëindigd, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 tot en met 13.
2. Buiten gevallen van beëindiging van een of meer veehouderijtakken overeenkomstig artikel 7, verstrekt de minister een subsidie voor de afbraak van gebouwen, bestemd tot uitoefening van de veehouderij, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 tot en met 13, indien het gebouwen betreft:
a. die uiterlijk op het moment van de inwerkingtreding van deze regeling niet meer voor de uitoefening van de veehouderij werden gebruikt en sedertdien ook niet meer daarvoor zijn gebruikt;
b. die behoren tot een bedrijf, dat bestaat uit meerdere locaties, en deze gebouwen als gevolg van de samenvoeging van alle veehouderijactiviteiten van dat bedrijf op een locatie aan de uitoefening van de veehouderij zullen worden onttrokken, of
c. die behoren tot een bedrijf dat de varkens- of rundveetak beëindigt, en die zijn bestemd tot uitoefening van de te beëindigen veehouderijtakken, voorzover dat bedrijf ter zake van de te beëindigen takken uitsluitend beschikt over een grondgebonden varkens- of mestproductierecht, en onder de voorwaarde dat de milieuvergunning, voorzover deze betrekking heeft op de te beëindigen takken, overeenkomstig artikel 8:26, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt ingetrokken, dan wel overeenkomstig artikel 8:4 of 8:24, eerste lid, van de Wet milieubeheer zodanig wordt gewijzigd dat de uitoefening van de te beëindigen veehouderijtak op het desbetreffende bedrijf niet langer mogelijk is.
3. De minister verstrekt met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 tot en met 13op aanvraag van een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, die bij zijn aanvraag voor die subsidie niet tevens een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft ingediend, een subsidie voor de afbraak van de gebouwen, bestemd voor de uitoefening van de veehouderijtakken die onder verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, worden of zijn beëindigd.
4. Ingeval het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheerof het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheerop het bedrijf van toepassing is, geldt in afwijking van het in het eerste lid, onderdeel c, bepaalde ten aanzien van de milieuvergunning als voorwaarde dat een melding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 4, tweede lid, van de voornoemde besluiten is gedaan dat niet langer dieren worden gehouden die behoren tot de veehouderijtak die wordt beëindigd.
2. Buiten gevallen van beëindiging van een of meer veehouderijtakken overeenkomstig artikel 7, verstrekt de minister een subsidie voor de afbraak van gebouwen, bestemd tot uitoefening van de veehouderij, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 tot en met 13, indien het gebouwen betreft:
a. die uiterlijk op het moment van de inwerkingtreding van deze regeling niet meer voor de uitoefening van de veehouderij werden gebruikt en sedertdien ook niet meer daarvoor zijn gebruikt;
b. die behoren tot een bedrijf, dat bestaat uit meerdere locaties, en deze gebouwen als gevolg van de samenvoeging van alle veehouderijactiviteiten van dat bedrijf op een locatie aan de uitoefening van de veehouderij zullen worden onttrokken, of
c. die behoren tot een bedrijf dat de varkens- of rundveetak beëindigt, en die zijn bestemd tot uitoefening van de te beëindigen veehouderijtakken, voorzover dat bedrijf ter zake van de te beëindigen takken uitsluitend beschikt over een grondgebonden varkens- of mestproductierecht, en onder de voorwaarde dat de milieuvergunning, voorzover deze betrekking heeft op de te beëindigen takken, overeenkomstig artikel 8:26, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt ingetrokken, dan wel overeenkomstig artikel 8:4 of 8:24, eerste lid, van de Wet milieubeheer zodanig wordt gewijzigd dat de uitoefening van de te beëindigen veehouderijtak op het desbetreffende bedrijf niet langer mogelijk is.
3. De minister verstrekt met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 tot en met 13op aanvraag van een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, die bij zijn aanvraag voor die subsidie niet tevens een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft ingediend, een subsidie voor de afbraak van de gebouwen, bestemd voor de uitoefening van de veehouderijtakken die onder verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, worden of zijn beëindigd.
4. Ingeval het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheerof het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheerop het bedrijf van toepassing is, geldt in afwijking van het in het eerste lid, onderdeel c, bepaalde ten aanzien van de milieuvergunning als voorwaarde dat een melding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 4, tweede lid, van de voornoemde besluiten is gedaan dat niet langer dieren worden gehouden die behoren tot de veehouderijtak die wordt beëindigd.