BWBR0011234
Geldig vanaf 2000-03-19
Artikel 12
Regeling beëindiging veehouderijtakken
1. De subsidie, bedoeld in artikel 9, eerste, tweede of derde lid, wordt slechts verstrekt indien de aanvrager aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
a. de gebouwen, bestemd voor de uitoefening van de veehouderijtakken die overeenkomstig artikel 7 worden of zijn beëindigd, dan wel, indien het een subsidie betreft als bedoeld in artikel 9, tweede lid, de in dat lid bedoelde gebouwen, worden afgebroken, het sloopafval en puin worden van het desbetreffende perceel afgevoerd, de tot de afgebroken opstallen behorende putten, funderingen en dergelijke worden verwijderd en het perceel waar de sloop heeft plaatsgevonden wordt geëgaliseerd;
b. de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, met uitzondering van het erfperceel, waarvan de oppervlakte ten hoogste een hectare bedraagt, voorzover die in een reservaatsgebied, een natuurontwikkelingsproject of een natuurgebied ligt, wordt in eigendom aan BBL overgedragen, dan wel de pacht wordt beëindigd voorzover de betrokken grond eigendom is van Staatsbosbeheer of van een particuliere natuurbeschermingsorganisatie;
c. bij de aanvraag doet de aanvrager ten behoeve van BBL melding van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voorzover deze bij hem in eigendom is en is gelegen in een aankoopgebied of een ruilgebied;
d. de aanvrager verklaart ermee bekend te zijn dat kan worden overgegaan tot verwijdering of verkleining van het agrarisch bouwblok, overeenkomend met de oppervlakte en locatie van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde gebouwen en maakt geen bezwaar tegen het voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of een wijziging van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, strekkende tot verwijdering of verkleining van het agrarisch bouwblok, overeenkomend met de oppervlakte en locatie van de in het eerste lid, onderdeel a bedoelde gebouwen;
e. de aanvrager heeft in de periode gelegen tussen de inwerkingtreding van deze regeling en de aanvraag tot subsidieverlening bij het bestuur van de desbetreffende gemeente geen aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor de oprichting van gebouwen bestemd voor de uitoefening van een of meer veehouderijtakken op de locatie van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde gebouwen en dient evenmin een aanvraag in voor een bouwvergunning voor de oprichting van deze en andere agrarische opstallen op de desbetreffende locatie vóór het verstrijken van zes maanden na indiening van de aanvraag tot subsidieverlening, tenzij inmiddels het in onderdeel d bedoelde voorbereidingsbesluit is genomen of het bestemmingsplan is gewijzigd.
2. De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en d, zijn niet van toepassing op gebouwen waarvoor de aanvrager bij zijn aanvraag een verklaring van het bestuur van de desbetreffende gemeente kan overleggen dat afbraak daarvan niet zal worden toegestaan, en evenmin op gebouwen die onlosmakelijk verbonden zijn met het woonhuis en daarmee architectonisch een geheel vormen.
a. de gebouwen, bestemd voor de uitoefening van de veehouderijtakken die overeenkomstig artikel 7 worden of zijn beëindigd, dan wel, indien het een subsidie betreft als bedoeld in artikel 9, tweede lid, de in dat lid bedoelde gebouwen, worden afgebroken, het sloopafval en puin worden van het desbetreffende perceel afgevoerd, de tot de afgebroken opstallen behorende putten, funderingen en dergelijke worden verwijderd en het perceel waar de sloop heeft plaatsgevonden wordt geëgaliseerd;
b. de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, met uitzondering van het erfperceel, waarvan de oppervlakte ten hoogste een hectare bedraagt, voorzover die in een reservaatsgebied, een natuurontwikkelingsproject of een natuurgebied ligt, wordt in eigendom aan BBL overgedragen, dan wel de pacht wordt beëindigd voorzover de betrokken grond eigendom is van Staatsbosbeheer of van een particuliere natuurbeschermingsorganisatie;
c. bij de aanvraag doet de aanvrager ten behoeve van BBL melding van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voorzover deze bij hem in eigendom is en is gelegen in een aankoopgebied of een ruilgebied;
d. de aanvrager verklaart ermee bekend te zijn dat kan worden overgegaan tot verwijdering of verkleining van het agrarisch bouwblok, overeenkomend met de oppervlakte en locatie van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde gebouwen en maakt geen bezwaar tegen het voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of een wijziging van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, strekkende tot verwijdering of verkleining van het agrarisch bouwblok, overeenkomend met de oppervlakte en locatie van de in het eerste lid, onderdeel a bedoelde gebouwen;
e. de aanvrager heeft in de periode gelegen tussen de inwerkingtreding van deze regeling en de aanvraag tot subsidieverlening bij het bestuur van de desbetreffende gemeente geen aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor de oprichting van gebouwen bestemd voor de uitoefening van een of meer veehouderijtakken op de locatie van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde gebouwen en dient evenmin een aanvraag in voor een bouwvergunning voor de oprichting van deze en andere agrarische opstallen op de desbetreffende locatie vóór het verstrijken van zes maanden na indiening van de aanvraag tot subsidieverlening, tenzij inmiddels het in onderdeel d bedoelde voorbereidingsbesluit is genomen of het bestemmingsplan is gewijzigd.
2. De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en d, zijn niet van toepassing op gebouwen waarvoor de aanvrager bij zijn aanvraag een verklaring van het bestuur van de desbetreffende gemeente kan overleggen dat afbraak daarvan niet zal worden toegestaan, en evenmin op gebouwen die onlosmakelijk verbonden zijn met het woonhuis en daarmee architectonisch een geheel vormen.