BWBR0011234
Geldig vanaf 2000-03-19
Artikel 17
Regeling beëindiging veehouderijtakken
1. De aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid:
a. doet, indien de varkenstak wordt beëindigd, onder het voorbehoud dat de subsidie wordt verleend, aan het Bureau Heffingen een kennisgeving van het vervallen van het varkensrecht van het bedrijf;
b. doet, indien de kippen- en kalkoenentak wordt beëindigd, onder voorbehoud dat de subsidie wordt verleend, aan het Bureau Heffingen een kennisgeving van het vervallen van het pluimveerecht van het bedrijf;
c. verzoekt, indien de rundveetak wordt beëindigd, onder het voorbehoud dat de subsidie wordt verleend, aan het Bureau Heffingen om doorhaling van het in artikel 7, onderdeel b, bedoelde deel van het niet-gebonden mestproductierecht;
d. verzoekt, onder het voorbehoud dat de subsidie wordt verleend, om doorhaling van het deel van het in artikel 7, onderdeel c, bedoelde deel van het niet-gebonden mestproductierecht;
e. doet gelijktijdig met zijn aanvraag aan de Directeur Laser een ondertekende verklaring toekomen waarin hij verklaart: 1º met welke diersoort of diersoorten, onderscheidenlijk diercategorie of diercategorieën, hij zijn bedrijf voortzet, en
2º gedurende tien jaren, te rekenen vanaf het moment van subsidievaststelling, op het desbetreffende bedrijf op de locatie van de overeenkomstig deze regeling beëindigde veehouderijtak de desbetreffende veehouderijtak niet uit te oefenen, noch als persoon noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of een samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen, en zeker te stellen dat gedurende deze tien jaren op de desbetreffende locatie de desbetreffende veehouderijtak evenmin door derden wordt uitgeoefend.
1º met welke diersoort of diersoorten, onderscheidenlijk diercategorie of diercategorieën, hij zijn bedrijf voortzet, en
2º gedurende tien jaren, te rekenen vanaf het moment van subsidievaststelling, op het desbetreffende bedrijf op de locatie van de overeenkomstig deze regeling beëindigde veehouderijtak de desbetreffende veehouderijtak niet uit te oefenen, noch als persoon noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of een samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen, en zeker te stellen dat gedurende deze tien jaren op de desbetreffende locatie de desbetreffende veehouderijtak evenmin door derden wordt uitgeoefend.
2. De aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt ingediend tezamen met de aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid.
3. In afwijking van het tweede lid kan een aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, die bij die aanvraag aangeeft dat hij voornemens is om met betrekking tot zijn erfperceel of de tot zijn bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond een bouwvergunning voor een woning aan te vragen, binnen 9 maanden na de aanvraag van de subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, zijn aanvraag aanvullen met een aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid. Tenzij de aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lidkennelijk niet-ontvankelijk is, of moet worden afgewezen, houdt de minister de beslissing op de aanvraag van de subsidie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, aan totdat deze overeenkomstig de eerste volzin is aangevuld, dan wel totdat de in de eerste volzin bedoelde termijn is verstreken zonder dat zodanige aanvulling heeft plaatsgevonden.
4. De aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderscheidenlijk als bedoeld in artikel 9, tweede lid, gaat vergezeld van een verklaring van de aanvrager dat hij geen bezwaar maakt tegen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordeningen een wijziging van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, strekkende tot verwijdering of verkleining van het agrarisch bouwblok, overeenkomend met de oppervlakte en lokatie van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel abedoelde gebouwen.
a. doet, indien de varkenstak wordt beëindigd, onder het voorbehoud dat de subsidie wordt verleend, aan het Bureau Heffingen een kennisgeving van het vervallen van het varkensrecht van het bedrijf;
b. doet, indien de kippen- en kalkoenentak wordt beëindigd, onder voorbehoud dat de subsidie wordt verleend, aan het Bureau Heffingen een kennisgeving van het vervallen van het pluimveerecht van het bedrijf;
c. verzoekt, indien de rundveetak wordt beëindigd, onder het voorbehoud dat de subsidie wordt verleend, aan het Bureau Heffingen om doorhaling van het in artikel 7, onderdeel b, bedoelde deel van het niet-gebonden mestproductierecht;
d. verzoekt, onder het voorbehoud dat de subsidie wordt verleend, om doorhaling van het deel van het in artikel 7, onderdeel c, bedoelde deel van het niet-gebonden mestproductierecht;
e. doet gelijktijdig met zijn aanvraag aan de Directeur Laser een ondertekende verklaring toekomen waarin hij verklaart: 1º met welke diersoort of diersoorten, onderscheidenlijk diercategorie of diercategorieën, hij zijn bedrijf voortzet, en
2º gedurende tien jaren, te rekenen vanaf het moment van subsidievaststelling, op het desbetreffende bedrijf op de locatie van de overeenkomstig deze regeling beëindigde veehouderijtak de desbetreffende veehouderijtak niet uit te oefenen, noch als persoon noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of een samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen, en zeker te stellen dat gedurende deze tien jaren op de desbetreffende locatie de desbetreffende veehouderijtak evenmin door derden wordt uitgeoefend.
1º met welke diersoort of diersoorten, onderscheidenlijk diercategorie of diercategorieën, hij zijn bedrijf voortzet, en
2º gedurende tien jaren, te rekenen vanaf het moment van subsidievaststelling, op het desbetreffende bedrijf op de locatie van de overeenkomstig deze regeling beëindigde veehouderijtak de desbetreffende veehouderijtak niet uit te oefenen, noch als persoon noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of een samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen, en zeker te stellen dat gedurende deze tien jaren op de desbetreffende locatie de desbetreffende veehouderijtak evenmin door derden wordt uitgeoefend.
2. De aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt ingediend tezamen met de aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid.
3. In afwijking van het tweede lid kan een aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, die bij die aanvraag aangeeft dat hij voornemens is om met betrekking tot zijn erfperceel of de tot zijn bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond een bouwvergunning voor een woning aan te vragen, binnen 9 maanden na de aanvraag van de subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, zijn aanvraag aanvullen met een aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid. Tenzij de aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lidkennelijk niet-ontvankelijk is, of moet worden afgewezen, houdt de minister de beslissing op de aanvraag van de subsidie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, aan totdat deze overeenkomstig de eerste volzin is aangevuld, dan wel totdat de in de eerste volzin bedoelde termijn is verstreken zonder dat zodanige aanvulling heeft plaatsgevonden.
4. De aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderscheidenlijk als bedoeld in artikel 9, tweede lid, gaat vergezeld van een verklaring van de aanvrager dat hij geen bezwaar maakt tegen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordeningen een wijziging van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, strekkende tot verwijdering of verkleining van het agrarisch bouwblok, overeenkomend met de oppervlakte en lokatie van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel abedoelde gebouwen.