BWBR0011234
Geldig vanaf 2000-03-19
Artikel 7
Regeling beëindiging veehouderijtakken
1. De subsidie wordt verstrekt indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. beëindiging van de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van de varkens, van de kippen en kalkoenen; of van het rundvee;
b. registratie van de kennisgeving van het vervallen van het varkensrecht van het bedrijf, indien de varkenstak wordt beëindigd, of registratie van de kennisgeving van het vervallen van het pluimveerecht van het bedrijf, indien de kippen- en kalkoenentak wordt beëindigd, dan wel doorhaling van het deel van het niet-gebonden mestproductierecht dat overeenkomt met de in 1999 op het desbetreffende bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van rundvee;
c. doorhaling van het deel van het niet-gebonden mestproductierecht dat overeenkomt met het verschil tussen het met betrekking tot 1999 geregistreerde mestproductierecht en de gemiddeld in 1999 op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen voorzover niet afkomstig van de varkens;
d. intrekking van de milieuvergunning, voorzover die vergunning betrekking heeft op de veehouderijtak van het desbetreffende bedrijf die wordt beëindigd, overeenkomstig artikel 8:26, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dan wel wijziging van de milieuvergunning overeenkomstig artikel 8.4 of 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodanig dat uitoefening van de te beëindigen veehouderijtak op het desbetreffende bedrijf niet langer mogelijk is;
e. de aanvrager oefent gedurende tien jaren, te rekenen vanaf het moment van subsidievaststelling, op de locatie van de overeenkomstig deze regeling beëindigde veehouderijtak de desbetreffende veehouderijtak niet uit, noch als persoon noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of een samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen, en stelt zeker dat gedurende deze tien jaren op het desbetreffende bedrijf op de desbetreffende locatie de desbetreffende veehouderijtak evenmin door derden wordt uitgeoefend.
2. Ingeval het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheerof het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheerop het bedrijf van toepassing is, geldt in afwijking van het eerste lid, onderdeel d, als voorwaarde dat een melding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 4, tweede lid, van de voornoemde besluiten is gedaan dat niet langer dieren worden gehouden die behoren tot de veehouderijtak die wordt beëindigd.
a. beëindiging van de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van de varkens, van de kippen en kalkoenen; of van het rundvee;
b. registratie van de kennisgeving van het vervallen van het varkensrecht van het bedrijf, indien de varkenstak wordt beëindigd, of registratie van de kennisgeving van het vervallen van het pluimveerecht van het bedrijf, indien de kippen- en kalkoenentak wordt beëindigd, dan wel doorhaling van het deel van het niet-gebonden mestproductierecht dat overeenkomt met de in 1999 op het desbetreffende bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van rundvee;
c. doorhaling van het deel van het niet-gebonden mestproductierecht dat overeenkomt met het verschil tussen het met betrekking tot 1999 geregistreerde mestproductierecht en de gemiddeld in 1999 op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen voorzover niet afkomstig van de varkens;
d. intrekking van de milieuvergunning, voorzover die vergunning betrekking heeft op de veehouderijtak van het desbetreffende bedrijf die wordt beëindigd, overeenkomstig artikel 8:26, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dan wel wijziging van de milieuvergunning overeenkomstig artikel 8.4 of 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodanig dat uitoefening van de te beëindigen veehouderijtak op het desbetreffende bedrijf niet langer mogelijk is;
e. de aanvrager oefent gedurende tien jaren, te rekenen vanaf het moment van subsidievaststelling, op de locatie van de overeenkomstig deze regeling beëindigde veehouderijtak de desbetreffende veehouderijtak niet uit, noch als persoon noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of een samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen, en stelt zeker dat gedurende deze tien jaren op het desbetreffende bedrijf op de desbetreffende locatie de desbetreffende veehouderijtak evenmin door derden wordt uitgeoefend.
2. Ingeval het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheerof het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheerop het bedrijf van toepassing is, geldt in afwijking van het eerste lid, onderdeel d, als voorwaarde dat een melding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 4, tweede lid, van de voornoemde besluiten is gedaan dat niet langer dieren worden gehouden die behoren tot de veehouderijtak die wordt beëindigd.