BWBR0010278
Geldig vanaf 1999-02-24
Artikel 9
Regeling milieugerichte technologie 1999
1. Het Subsidieprogramma Demonstratieprojecten Mobiele bronnen 1999 heeft als doel het faciliëren van invoering op de Nederlandse markt van milieu-innovatieve mobiele bronnen onder marktconforme omstandigheden.
2. Een project komt voor subsidie in aanmerking, indien het project betrekking heeft op:
a. personenauto’s die: 1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76), en
2º. ten minste 20% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76), en
2º. ten minste 20% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
b. personenauto’s die: 1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde richtlijn, en
2º. ten minste 40% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde richtlijn, en
2º. ten minste 40% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
c. hybride voertuigen of personen- of bestelauto’s met volledig elektrische aandrijving;
d. bestelauto’s die voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde richtlijn;
e. vrachtauto’s, speciale voertuigen en touringcars, die lokaal emissievrij kunnen rijden en die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in richtlijn nr. 88/77/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1988 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L36), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 96/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 januari 1996 (PbEG L40);
f. vrachtauto’s, speciale voertuigen, touringcars en stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een dieselmotor: 1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de bijlage bij deze regeling, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 3.5 gram/kWh en voor deeltjes niet hoger is dan 0.03 gram/kWh;
1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de bijlage bij deze regeling, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 3.5 gram/kWh en voor deeltjes niet hoger is dan 0.03 gram/kWh;
g. vrachtauto’s, speciale voertuigen en touringcars, die zijn uitgerust met een LPG- of aardgasmotor: 1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in het in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 g/kWh;
1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in het in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 g/kWh;
h. vrachtauto’s, speciale voertuigen, touringcars en stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor: 1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. die ten minste 15 % minder CO2 uitstoten per kilometer dan qua toepassing en afmetingen vergelijkbare wegvoertuigen, die zijn uitgerust met een dieselmotor;
1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. die ten minste 15 % minder CO2 uitstoten per kilometer dan qua toepassing en afmetingen vergelijkbare wegvoertuigen, die zijn uitgerust met een dieselmotor;
i. stads- en streekbussen met een hybride LPG- of aardgasaandrijving die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor met ten hoogste 100 kW motorvermogen en: 1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 g/kWh, of
1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 g/kWh, of
j. ten minste 25 stads- of streekbussen met een dieselmotor: 1º. die in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1988 tot en met 31 december 1998, en
2º. die zijn voorzien van een roetfilter waarmee de uitstoot van koolwaterstoffen wordt beperkt tot minder dan 0,08 g/kWh en de uitstoot van deeltjes tot minder dan 0,03 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, of
1º. die in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1988 tot en met 31 december 1998, en
2º. die zijn voorzien van een roetfilter waarmee de uitstoot van koolwaterstoffen wordt beperkt tot minder dan 0,08 g/kWh en de uitstoot van deeltjes tot minder dan 0,03 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, of
k. dieselmotoren met een asvermogen van 100 kW tot 5000kW, bestemd voor de voortstuwing van vaartuigen en die voorzien zijn van een regelsysteem waarmee per individuele cilinder het verbrandingsproces wordt geoptimaliseerd door het regelen van het inspuittijdstip, de hoeveelheid brandstof en in voorkomend geval het tijdstip waarop de in- en uitlaatkleppen worden geopend en gesloten, en waarmee de uitstoot van stikstofoxiden met ten minste 25% wordt verminderd in vergelijking met eenzelfde motor zonder dat regelsysteem.
3. Een project komt voorts voor subsidie in aanmerking indien het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 10 personen- of bestelauto’s met een hybride of elektrisch aandrijfsysteem.
4. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien
a. het een praktijkexperiment betreft waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan f 200.000,-;
b. het een demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan f 250.000,-, of
c. het een marktintroductieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan f 1.000.000,-.
5. Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:
a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing;
b. de mate waarin het project het gebruik van milieu-innovatieve mobiele bronnen of technieken onder marktconforme omstandigheden bevordert.
2. Een project komt voor subsidie in aanmerking, indien het project betrekking heeft op:
a. personenauto’s die: 1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76), en
2º. ten minste 20% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76), en
2º. ten minste 20% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
b. personenauto’s die: 1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde richtlijn, en
2º. ten minste 40% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde richtlijn, en
2º. ten minste 40% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
c. hybride voertuigen of personen- of bestelauto’s met volledig elektrische aandrijving;
d. bestelauto’s die voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde richtlijn;
e. vrachtauto’s, speciale voertuigen en touringcars, die lokaal emissievrij kunnen rijden en die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in richtlijn nr. 88/77/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1988 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L36), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 96/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 januari 1996 (PbEG L40);
f. vrachtauto’s, speciale voertuigen, touringcars en stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een dieselmotor: 1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de bijlage bij deze regeling, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 3.5 gram/kWh en voor deeltjes niet hoger is dan 0.03 gram/kWh;
1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de bijlage bij deze regeling, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 3.5 gram/kWh en voor deeltjes niet hoger is dan 0.03 gram/kWh;
g. vrachtauto’s, speciale voertuigen en touringcars, die zijn uitgerust met een LPG- of aardgasmotor: 1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in het in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 g/kWh;
1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in het in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 g/kWh;
h. vrachtauto’s, speciale voertuigen, touringcars en stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor: 1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. die ten minste 15 % minder CO2 uitstoten per kilometer dan qua toepassing en afmetingen vergelijkbare wegvoertuigen, die zijn uitgerust met een dieselmotor;
1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. die ten minste 15 % minder CO2 uitstoten per kilometer dan qua toepassing en afmetingen vergelijkbare wegvoertuigen, die zijn uitgerust met een dieselmotor;
i. stads- en streekbussen met een hybride LPG- of aardgasaandrijving die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor met ten hoogste 100 kW motorvermogen en: 1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 g/kWh, of
1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 g/kWh, of
j. ten minste 25 stads- of streekbussen met een dieselmotor: 1º. die in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1988 tot en met 31 december 1998, en
2º. die zijn voorzien van een roetfilter waarmee de uitstoot van koolwaterstoffen wordt beperkt tot minder dan 0,08 g/kWh en de uitstoot van deeltjes tot minder dan 0,03 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, of
1º. die in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1988 tot en met 31 december 1998, en
2º. die zijn voorzien van een roetfilter waarmee de uitstoot van koolwaterstoffen wordt beperkt tot minder dan 0,08 g/kWh en de uitstoot van deeltjes tot minder dan 0,03 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde bijlage, of
k. dieselmotoren met een asvermogen van 100 kW tot 5000kW, bestemd voor de voortstuwing van vaartuigen en die voorzien zijn van een regelsysteem waarmee per individuele cilinder het verbrandingsproces wordt geoptimaliseerd door het regelen van het inspuittijdstip, de hoeveelheid brandstof en in voorkomend geval het tijdstip waarop de in- en uitlaatkleppen worden geopend en gesloten, en waarmee de uitstoot van stikstofoxiden met ten minste 25% wordt verminderd in vergelijking met eenzelfde motor zonder dat regelsysteem.
3. Een project komt voorts voor subsidie in aanmerking indien het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 10 personen- of bestelauto’s met een hybride of elektrisch aandrijfsysteem.
4. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien
a. het een praktijkexperiment betreft waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan f 200.000,-;
b. het een demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan f 250.000,-, of
c. het een marktintroductieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan f 1.000.000,-.
5. Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:
a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing;
b. de mate waarin het project het gebruik van milieu-innovatieve mobiele bronnen of technieken onder marktconforme omstandigheden bevordert.