BWBR0010278
Geldig vanaf 1999-02-24
Artikel 16
Regeling milieugerichte technologie 1999
1. In afwijking van artikel 4is:
a. het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele kosten, onderscheidenlijk het maximale subsidiebedrag, voor haalbaarheidsprojecten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder d: 75% tot een maximaal subsidiebedrag van f 50.000,-;
b. het maximale subsidiebedrag voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a: f 500.000,-;
c. het maximale subsidiebedrag voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder c: f 500.000,-.
2. In afwijking van artikel 3kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten, met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel, geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidie-aanvrager geldende en controleerbare systematiek.
3. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de subsidie-aanvraag worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
4. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 1999 bedraagt f 9.700.000,-.
5. Van het bedrag, genoemd in het vierde lid, is in de periode tot en met 30 juni 1999 beschikbaar voor:
a. haalbaarheidsprojecten en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a, en kennisoverdrachtsprojecten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder b, tezamen: f 500.000,-;
b. haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder c, tezamen: f 500.000,-;
c. haalbaarheidsprojecten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder d: f 250.000,-;
d. praktijkexperimenten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder e: f 2.000.000,-;
e. demonstratieprojecten als bedoeld in aritkel 15, tweede lid, onder f, en marktintroductieprojecten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder g, tezamen: f 8.450.000,-.
6. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat:
a. niet meer dan twee projecten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder b, gericht zijn op vergassingstechnieken, niet meer dan twee op verbrandingstechnieken en niet meer dan twee op overige conversietechnieken voor subsidie in aanmerking komen;
b. wanneer de subsidie-aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de subsidie-aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen, als datum van ontvangst van de subsidie-aanvraag geldt.
a. het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele kosten, onderscheidenlijk het maximale subsidiebedrag, voor haalbaarheidsprojecten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder d: 75% tot een maximaal subsidiebedrag van f 50.000,-;
b. het maximale subsidiebedrag voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a: f 500.000,-;
c. het maximale subsidiebedrag voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder c: f 500.000,-.
2. In afwijking van artikel 3kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten, met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel, geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidie-aanvrager geldende en controleerbare systematiek.
3. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de subsidie-aanvraag worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
4. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 1999 bedraagt f 9.700.000,-.
5. Van het bedrag, genoemd in het vierde lid, is in de periode tot en met 30 juni 1999 beschikbaar voor:
a. haalbaarheidsprojecten en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a, en kennisoverdrachtsprojecten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder b, tezamen: f 500.000,-;
b. haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder c, tezamen: f 500.000,-;
c. haalbaarheidsprojecten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder d: f 250.000,-;
d. praktijkexperimenten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder e: f 2.000.000,-;
e. demonstratieprojecten als bedoeld in aritkel 15, tweede lid, onder f, en marktintroductieprojecten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder g, tezamen: f 8.450.000,-.
6. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat:
a. niet meer dan twee projecten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder b, gericht zijn op vergassingstechnieken, niet meer dan twee op verbrandingstechnieken en niet meer dan twee op overige conversietechnieken voor subsidie in aanmerking komen;
b. wanneer de subsidie-aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de subsidie-aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen, als datum van ontvangst van de subsidie-aanvraag geldt.