BWBR0009679
Geldig vanaf 1998-06-16
Artikel 22
Uitvoeringsregeling reclassering
1. Indien de stichting haar reclasseringswerkzaamheden beëindigt, komt de Minister een direct opeisbare vordering op de stichting toe.
2. Zo spoedig mogelijk nadat de in het eerste lid bedoelde vordering is ontstaan, wordt een balans met toelichting opgemaakt die getrouw en stelselmatig de grootte en samenstelling van het vermogen weergeeft. Grondslag voor de waardering van de activa is de aanschafwaarde.
3. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vordering is gelijk aan de som van de activa, zoals blijkt uit de in het tweede lid bedoelde balans, verminderd met de som van de schulden.
4. Indien het vermogen is gevormd mede met middelen van de stichting of met middelen van anderen dan de Minister, komt aan de Minister toe het bedrag, waarmee de subsidiëring door de Minister in verhouding tot voornoemde middelen aan de vorming van het vermogen heeft bijgedragen.
5. Het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing, indien gebouwen, terreinen of roerende zaken ten behoeve waarvan de Minister subsidie heeft verleend, worden vervreemd of geheel of gedeeltelijk aan hun bestemming worden onttrokken. Het bedrag van de vordering is in dit geval gelijk aan de aanschafwaarde van de desbetreffende zaken.
6. De Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet toe, indien de werkzaamheden van de stichting met toestemming van de Minister door een andere stichting worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die stichting in eigendom worden overgedragen.
2. Zo spoedig mogelijk nadat de in het eerste lid bedoelde vordering is ontstaan, wordt een balans met toelichting opgemaakt die getrouw en stelselmatig de grootte en samenstelling van het vermogen weergeeft. Grondslag voor de waardering van de activa is de aanschafwaarde.
3. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vordering is gelijk aan de som van de activa, zoals blijkt uit de in het tweede lid bedoelde balans, verminderd met de som van de schulden.
4. Indien het vermogen is gevormd mede met middelen van de stichting of met middelen van anderen dan de Minister, komt aan de Minister toe het bedrag, waarmee de subsidiëring door de Minister in verhouding tot voornoemde middelen aan de vorming van het vermogen heeft bijgedragen.
5. Het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing, indien gebouwen, terreinen of roerende zaken ten behoeve waarvan de Minister subsidie heeft verleend, worden vervreemd of geheel of gedeeltelijk aan hun bestemming worden onttrokken. Het bedrag van de vordering is in dit geval gelijk aan de aanschafwaarde van de desbetreffende zaken.
6. De Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet toe, indien de werkzaamheden van de stichting met toestemming van de Minister door een andere stichting worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die stichting in eigendom worden overgedragen.