BWBR0009679
Geldig vanaf 1998-06-16
Artikel 19
Uitvoeringsregeling reclassering
1. De stichting behoeft de voorafgaande toestemming van de Minister voor:
a. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen alsmede van andere vermogensbestanddelen, indien subsidie heeft bijgedragen tot het verwerven van die registergoederen of die andere vermogensbestanddelen, dan wel de lasten daarvoor geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de subsidie;
b. het overbrengen van vermogen en/of vermogensbestanddelen naar andere organisaties met of zonder rechtspersoonlijkheid, zonder reële tegenprestatie;
c. het vormen van voorzieningen en reserveringen, anders dan voorzien in dit besluit;
d. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;
e. het wijzigen van de statuten;
f. een juridische fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
g. het doen van aangifte tot haar faillissement of het aanvragen van haar surséance van betaling;
h. het ontbinden van de stichting.
2. De Minister beslist binnen vier weken omtrent de toestemming.
3. De beslissing kan éénmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.
4. Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.
a. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen alsmede van andere vermogensbestanddelen, indien subsidie heeft bijgedragen tot het verwerven van die registergoederen of die andere vermogensbestanddelen, dan wel de lasten daarvoor geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de subsidie;
b. het overbrengen van vermogen en/of vermogensbestanddelen naar andere organisaties met of zonder rechtspersoonlijkheid, zonder reële tegenprestatie;
c. het vormen van voorzieningen en reserveringen, anders dan voorzien in dit besluit;
d. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;
e. het wijzigen van de statuten;
f. een juridische fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
g. het doen van aangifte tot haar faillissement of het aanvragen van haar surséance van betaling;
h. het ontbinden van de stichting.
2. De Minister beslist binnen vier weken omtrent de toestemming.
3. De beslissing kan éénmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.
4. Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.