BWBR0009565
Geldig vanaf 1998-07-01
Artikel 75
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
1. Artikel 57 van de AAW en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de persoon die vóór die datum een aanvraag heeft ingediend of in aanmerking is gebracht voor een voorziening tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, zolang die voorziening wordt verstrekt.
2. Artikel 57a van de AAW en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de persoon die vóór die datum een aanvraag heeft ingediend of in aanmerking is gebracht voor vergoeding van kosten als bedoeld in dat artikel, zolang deze vergoeding niet daadwerkelijk geheel is verleend.
3. Artikel 58 van de AAW, zoals dit artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op de persoon die vóór die datum een aanvraag heeft ingediend of in aanmerking is gebracht voor een toelage of vergoeding, zolang die toelage of vergoeding wordt verleend.
4. Artikel 59b van de AAW en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de persoon die vóór die datum een aanvraag heeft ingediend of in aanmerking is gebracht voor inkomenssuppletie.
5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de toepasselijkheid van de <a href="/wet/BWBR0002221" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</a>, bedoeld in het eerste lid:
a. met betrekking tot voorzieningen op grond van artikel 57, eerste en tweede lid, onderdeel b, van die wet, met ingang van een bij die regeling te bepalen datum eindigt;
b. met betrekking tot voorzieningen op grond van artikel 57, tweede lid, onderdeel c, toegekend aan personen die buiten het Rijk verblijven, wordt voortgezet, indien voor de voortzetting van deze voorziening een nieuw besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijk is.
6. De bruikleenovereenkomst of de overeenkomst met betrekking tot het in gebruik geven van een blindengeleidehond tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en een persoon aan wie een voorziening is toegekend op grond van artikel 57 van de AAW, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, betreffende de verstrekking van een blindengeleidehond, wordt met ingang van de datum die is bepaald op grond van het vijfde lid, onderdeel a, of indien de overeenkomst op een latere datum is aangegaan, met ingang van die datum, aangemerkt als een bruikleenovereenkomst of een overeenkomst met betrekking tot het in gebruik geven van een blindengeleidehond tussen de Ziekenfondsraad en genoemde persoon.
7. De overeenkomst tot levering of de overeenkomst met betrekking tot het in gebruik geven van een blindengeleidehond tussen een persoon of rechtspersoon die blindengeleidehonden opleidt en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dat genoemde overeenkomst aangaat of is aangegaan met als doel deze hond te verstrekken aan een persoon aan wie deze voorziening is toegekend op grond van artikel 57 van de AAW, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt met ingang van de datum die is bepaald op grond van het vijfde lid, onderdeel a, of indien de overeenkomst op een latere datum is aangegaan, met ingang van die datum, aangemerkt als een overeenkomst tot levering of een overeenkomst met betrekking tot het in gebruik geven van een blindengeleidehond tussen de persoon of rechtspersoon die blindengeleidehonden opleidt en de Ziekenfondsraad.
8. De blindengeleidehond die op of na de op grond van het vijfde lid, onderdeel a, vastgestelde datum tot het eigendom van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen behoort, wordt met ingang van de datum waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen eigendom heeft verkregen, doch niet eerder dan met ingang van de op grond van het vijfde lid, onderdeel a, vastgestelde datum, eigendom van de Ziekenfondsraad.
2. Artikel 57a van de AAW en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de persoon die vóór die datum een aanvraag heeft ingediend of in aanmerking is gebracht voor vergoeding van kosten als bedoeld in dat artikel, zolang deze vergoeding niet daadwerkelijk geheel is verleend.
3. Artikel 58 van de AAW, zoals dit artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op de persoon die vóór die datum een aanvraag heeft ingediend of in aanmerking is gebracht voor een toelage of vergoeding, zolang die toelage of vergoeding wordt verleend.
4. Artikel 59b van de AAW en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de persoon die vóór die datum een aanvraag heeft ingediend of in aanmerking is gebracht voor inkomenssuppletie.
5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de toepasselijkheid van de <a href="/wet/BWBR0002221" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</a>, bedoeld in het eerste lid:
a. met betrekking tot voorzieningen op grond van artikel 57, eerste en tweede lid, onderdeel b, van die wet, met ingang van een bij die regeling te bepalen datum eindigt;
b. met betrekking tot voorzieningen op grond van artikel 57, tweede lid, onderdeel c, toegekend aan personen die buiten het Rijk verblijven, wordt voortgezet, indien voor de voortzetting van deze voorziening een nieuw besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijk is.
6. De bruikleenovereenkomst of de overeenkomst met betrekking tot het in gebruik geven van een blindengeleidehond tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en een persoon aan wie een voorziening is toegekend op grond van artikel 57 van de AAW, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, betreffende de verstrekking van een blindengeleidehond, wordt met ingang van de datum die is bepaald op grond van het vijfde lid, onderdeel a, of indien de overeenkomst op een latere datum is aangegaan, met ingang van die datum, aangemerkt als een bruikleenovereenkomst of een overeenkomst met betrekking tot het in gebruik geven van een blindengeleidehond tussen de Ziekenfondsraad en genoemde persoon.
7. De overeenkomst tot levering of de overeenkomst met betrekking tot het in gebruik geven van een blindengeleidehond tussen een persoon of rechtspersoon die blindengeleidehonden opleidt en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dat genoemde overeenkomst aangaat of is aangegaan met als doel deze hond te verstrekken aan een persoon aan wie deze voorziening is toegekend op grond van artikel 57 van de AAW, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt met ingang van de datum die is bepaald op grond van het vijfde lid, onderdeel a, of indien de overeenkomst op een latere datum is aangegaan, met ingang van die datum, aangemerkt als een overeenkomst tot levering of een overeenkomst met betrekking tot het in gebruik geven van een blindengeleidehond tussen de persoon of rechtspersoon die blindengeleidehonden opleidt en de Ziekenfondsraad.
8. De blindengeleidehond die op of na de op grond van het vijfde lid, onderdeel a, vastgestelde datum tot het eigendom van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen behoort, wordt met ingang van de datum waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen eigendom heeft verkregen, doch niet eerder dan met ingang van de op grond van het vijfde lid, onderdeel a, vastgestelde datum, eigendom van de Ziekenfondsraad.