BWBR0009565
Geldig vanaf 1998-07-01
Artikel 3
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
1. De vaststelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, geschiedt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten aanzien van de persoon die:
a. recht heeft op doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, na daarover geadviseerd te zijn door de persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet, die door de werkgever is ingeschakeld of de arbodienst van de werkgever die het loon bij ziekte van de werknemer doorbetaalt, in welk advies wordt aangegeven of de werknemer, naar het oordeel de persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, voor zover die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of de arbodienst, arbeidsgehandicapt is, met toepassing van een voorziening de eigen arbeid kan blijven verrichten, of bij dezelfde werkgever, al dan niet met toepassing van een voorziening, in een andere functie arbeid kan verrichten;
b. recht heeft op een uitkering op grond van de ZW, de WW of de WBIA;
c. verzekerd is op grond van de WAZ;
d. ingezetene is als bedoeld in artikel 3 van de WAJONG en de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
e. als overheidswerknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, recht heeft op bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van die wet, na daarover op overeenkomstige wijze als bedoeld in onderdeel a, geadviseerd te zijn door de persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet, die door de werkgever is ingeschakeld of de arbodienst van de werkgever die de bezoldiging of de uitkering bij ziekte van de werknemer betaalt;
f. als gewezen overheidswerknemer recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of recht heeft op een wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van die wet.
2. De vaststelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, ten aanzien van de persoon die uitsluitend recht heeft op een uitkering op grond van de <a href="/wet/BWBR0015703" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet werk en bijstand</a>, de <a href="/wet/BWBR0004044" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</a>, de <a href="/wet/BWBR0004163" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</a>of de <a href="/wet/BWBR0017837" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet werk en inkomen kunstenaars</a>geschiedt door het gemeentebestuur van de gemeente, waarin die persoon woonachtig is.
3. De vaststelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, ten aanzien van de persoon die uitsluitend recht heeft op een uitkering op grond van de <a href="/wet/BWBR0007795" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene nabestaandenwet</a>en ten aanzien van de persoon voor wie de vaststelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, niet is opgedragen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de gemeenten geschiedt door het gemeentebestuur van de gemeente, waarin hij woonachtig is, indien hij als werkloos werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen is geregistreerd.
a. recht heeft op doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, na daarover geadviseerd te zijn door de persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet, die door de werkgever is ingeschakeld of de arbodienst van de werkgever die het loon bij ziekte van de werknemer doorbetaalt, in welk advies wordt aangegeven of de werknemer, naar het oordeel de persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, voor zover die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of de arbodienst, arbeidsgehandicapt is, met toepassing van een voorziening de eigen arbeid kan blijven verrichten, of bij dezelfde werkgever, al dan niet met toepassing van een voorziening, in een andere functie arbeid kan verrichten;
b. recht heeft op een uitkering op grond van de ZW, de WW of de WBIA;
c. verzekerd is op grond van de WAZ;
d. ingezetene is als bedoeld in artikel 3 van de WAJONG en de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
e. als overheidswerknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, recht heeft op bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van die wet, na daarover op overeenkomstige wijze als bedoeld in onderdeel a, geadviseerd te zijn door de persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet, die door de werkgever is ingeschakeld of de arbodienst van de werkgever die de bezoldiging of de uitkering bij ziekte van de werknemer betaalt;
f. als gewezen overheidswerknemer recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of recht heeft op een wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van die wet.
2. De vaststelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, ten aanzien van de persoon die uitsluitend recht heeft op een uitkering op grond van de <a href="/wet/BWBR0015703" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet werk en bijstand</a>, de <a href="/wet/BWBR0004044" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</a>, de <a href="/wet/BWBR0004163" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</a>of de <a href="/wet/BWBR0017837" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet werk en inkomen kunstenaars</a>geschiedt door het gemeentebestuur van de gemeente, waarin die persoon woonachtig is.
3. De vaststelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, ten aanzien van de persoon die uitsluitend recht heeft op een uitkering op grond van de <a href="/wet/BWBR0007795" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene nabestaandenwet</a>en ten aanzien van de persoon voor wie de vaststelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, niet is opgedragen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de gemeenten geschiedt door het gemeentebestuur van de gemeente, waarin hij woonachtig is, indien hij als werkloos werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen is geregistreerd.