BWBR0007708
Geldig vanaf 2005-06-23
Artikel 13
Besluit toezicht effectenverkeer 1995
1. Onverminderd artikel 12beschikt een effecteninstelling over een toetsingsvermogen, waarvan de hoogte en de samenstelling voldoen aan door de toezichthoudende autoriteit te stellen regels met betrekking tot de solvabiliteit van effecteninstellingen.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op:
a. het toetsingsvermogen dat dient te worden aangehouden in verhouding tot: 1°. de naar risicograad gewogen kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;
2°. de naar risicograad gewogen verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers en andere marktrisico's;
4°. de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;
5°. de onder 1°, 2°, 3° of 4° vallende afzonderlijke posten, voor zover zij een bepaald percentage van de eigen middelen te boven gaan;
1°. de naar risicograad gewogen kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;
2°. de naar risicograad gewogen verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers en andere marktrisico's;
4°. de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;
5°. de onder 1°, 2°, 3° of 4° vallende afzonderlijke posten, voor zover zij een bepaald percentage van de eigen middelen te boven gaan;
b. de omvang, al dan niet in verhouding tot het toetsingsvermogen, van: 1°. de kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;
2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
4°. de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen.
1°. de kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;
2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
4°. de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen.
3. Een effecteninstelling die deel uitmaakt van een groep die geen kredietinstelling omvat als bedoeld in artikel 1, eerste gedachtenstreepje, van richtlijn nr. 2000/12/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126), voert systemen in voor de bewaking en beheersing van de bronnen van het eigen vermogen en van het vreemd vermogen van alle andere financiële instellingen, bedoeld in artikel 1, tweede gedachtenstreepje, van die richtlijn, binnen de groep.
4. De toezichthoudende autoriteit kan regels stellen met betrekking tot de in het derde lid bedoelde systemen.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op:
a. het toetsingsvermogen dat dient te worden aangehouden in verhouding tot: 1°. de naar risicograad gewogen kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;
2°. de naar risicograad gewogen verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers en andere marktrisico's;
4°. de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;
5°. de onder 1°, 2°, 3° of 4° vallende afzonderlijke posten, voor zover zij een bepaald percentage van de eigen middelen te boven gaan;
1°. de naar risicograad gewogen kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;
2°. de naar risicograad gewogen verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers en andere marktrisico's;
4°. de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;
5°. de onder 1°, 2°, 3° of 4° vallende afzonderlijke posten, voor zover zij een bepaald percentage van de eigen middelen te boven gaan;
b. de omvang, al dan niet in verhouding tot het toetsingsvermogen, van: 1°. de kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;
2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
4°. de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen.
1°. de kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;
2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
4°. de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen.
3. Een effecteninstelling die deel uitmaakt van een groep die geen kredietinstelling omvat als bedoeld in artikel 1, eerste gedachtenstreepje, van richtlijn nr. 2000/12/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126), voert systemen in voor de bewaking en beheersing van de bronnen van het eigen vermogen en van het vreemd vermogen van alle andere financiële instellingen, bedoeld in artikel 1, tweede gedachtenstreepje, van die richtlijn, binnen de groep.
4. De toezichthoudende autoriteit kan regels stellen met betrekking tot de in het derde lid bedoelde systemen.