BWBR0006988
Geldig vanaf 2004-01-21
Artikel 18
Regeling registratie diergeneesmiddelen 1995
1. Op een aanvraag tot registratie van een diergeneesmiddel waarvoor in een lidstaat of een EER-staat een vergunning voor het in handel brengen als bedoeld in artikel 5 van richtlijn nr. 2001/82/EGis verleend en ten aanzien waarvan in één of meer andere lidstaten of in een EER-staat, waaronder Nederland, een aanvraag tot vergunningverlening is ingediend, is paragraaf 3.1.1van toepassing.
2. De aanvrager verklaart schriftelijk bij de in het eerste lid bedoelde aanvraag dat het daar bedoelde dossier geheel gelijk is aan het door de betreffende lidstaat of EER-staat ten behoeve van dat diergeneesmiddel aanvaarde dossier of geeft aan welke eventuele toevoegingen of wijzigingen hierin zijn aangebracht. In dit laatste geval bevestigt de aanvrager dat:
de samenvatting van de productkenmerken volledig gelijk is aan die welke door de eerste lidstaat of EER-staat is aanvaard en
alle in het kader van deze procedure voorgelegde dossiers volledig gelijk zijn.
3. De aanvrager stelt het Comité van de aanvraag in kennis, deelt aan het Comité mee welke de betrokken lidstaten of EER-staten zijn alsmede de datum waarop de aanvraag is ingediend en zendt het Comité een afschrift van de door de eerste lidstaat verleende vergunning, bedoeld in artikel 5 van richtlijn nr. 2001/82/EG. Tevens zendt hij het Comité afschriften van eventuele vergunningen die door de andere lidstaten voor het betrokken diergeneesmiddel zijn verleend, en vermeldt hij of een vergunningsaanvraag eventueel reeds in behandeling is in een lidstaat of in een EER-staat.
4. In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt een besluit omtrent registratie van een diergeneesmiddel als bedoeld in het eerste lid binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag en het beoordelingsrapport betreffende de door de eerste lidstaat of EER-staat verleende vergunning genomen.
5. Indien er in de in het vierde lid genoemde periode van 90 dagen redenen zijn om aan te nemen dat de gevraagde vergunning een risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, wat betrekking heeft op de kwaliteit, de veiligheid en de werkzaamheid van het betrokken diergeneesmiddel, kan opleveren, stelt het Bureau onverwijld de aanvrager, alle andere bij de vergunning betrokken lidstaten en het Comité hiervan in kennis, waarbij uitvoerig de redenen hiervan worden vermeld en wordt aangegeven welke maatregelen zouden kunnen worden genomen om eventuele tekortkomingen in de aanvraag recht te zetten.
2. De aanvrager verklaart schriftelijk bij de in het eerste lid bedoelde aanvraag dat het daar bedoelde dossier geheel gelijk is aan het door de betreffende lidstaat of EER-staat ten behoeve van dat diergeneesmiddel aanvaarde dossier of geeft aan welke eventuele toevoegingen of wijzigingen hierin zijn aangebracht. In dit laatste geval bevestigt de aanvrager dat:
de samenvatting van de productkenmerken volledig gelijk is aan die welke door de eerste lidstaat of EER-staat is aanvaard en
alle in het kader van deze procedure voorgelegde dossiers volledig gelijk zijn.
3. De aanvrager stelt het Comité van de aanvraag in kennis, deelt aan het Comité mee welke de betrokken lidstaten of EER-staten zijn alsmede de datum waarop de aanvraag is ingediend en zendt het Comité een afschrift van de door de eerste lidstaat verleende vergunning, bedoeld in artikel 5 van richtlijn nr. 2001/82/EG. Tevens zendt hij het Comité afschriften van eventuele vergunningen die door de andere lidstaten voor het betrokken diergeneesmiddel zijn verleend, en vermeldt hij of een vergunningsaanvraag eventueel reeds in behandeling is in een lidstaat of in een EER-staat.
4. In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt een besluit omtrent registratie van een diergeneesmiddel als bedoeld in het eerste lid binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag en het beoordelingsrapport betreffende de door de eerste lidstaat of EER-staat verleende vergunning genomen.
5. Indien er in de in het vierde lid genoemde periode van 90 dagen redenen zijn om aan te nemen dat de gevraagde vergunning een risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, wat betrekking heeft op de kwaliteit, de veiligheid en de werkzaamheid van het betrokken diergeneesmiddel, kan opleveren, stelt het Bureau onverwijld de aanvrager, alle andere bij de vergunning betrokken lidstaten en het Comité hiervan in kennis, waarbij uitvoerig de redenen hiervan worden vermeld en wordt aangegeven welke maatregelen zouden kunnen worden genomen om eventuele tekortkomingen in de aanvraag recht te zetten.