BWBR0006743
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 14c
Rechtspositiebesluit burgemeesters
1. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de burgemeester aan Onze Minister dan wel aan een door hem aangewezen instantie:
a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel
b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of niet meer dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis aan neveninkomsten heeft genoten over dat jaar of, indien hij het ambt van burgemeester vervulde gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, een evenredig deel daarvan, dan wel
c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven.
2. In afwijking van het eerste lid, vermindert het college van burgemeester en wethouders op verzoek van de burgemeester diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten.
3. Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt het college van burgemeester en wethouders het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden, mede en verstrekt een afschrift daarvan aan de burgemeester.
4. Het college van burgemeester en wethouders vordert, indien Onze Minister dan wel een door hem aangewezen instantie constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de burgemeester.
5. Indien de burgemeester geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De burgemeester meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken.
6. In het geval genoemd in het eerste lid, onderdeel c, alsmede indien de burgemeester binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave of verklaring, als bedoeld in het eerste lid, heeft ingezonden, of niet heeft voldaan aan het vijfde lid, stelt het college van burgemeester en wethouders de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis, tenzij het uit anderen hoofde kan vaststellen tot welk bedrag er verrekend zou moeten worden.
7. Op verzoek van de burgemeester kan het college van burgemeester en wethouders besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden.
a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel
b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of niet meer dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis aan neveninkomsten heeft genoten over dat jaar of, indien hij het ambt van burgemeester vervulde gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, een evenredig deel daarvan, dan wel
c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven.
2. In afwijking van het eerste lid, vermindert het college van burgemeester en wethouders op verzoek van de burgemeester diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten.
3. Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt het college van burgemeester en wethouders het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden, mede en verstrekt een afschrift daarvan aan de burgemeester.
4. Het college van burgemeester en wethouders vordert, indien Onze Minister dan wel een door hem aangewezen instantie constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de burgemeester.
5. Indien de burgemeester geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De burgemeester meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken.
6. In het geval genoemd in het eerste lid, onderdeel c, alsmede indien de burgemeester binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave of verklaring, als bedoeld in het eerste lid, heeft ingezonden, of niet heeft voldaan aan het vijfde lid, stelt het college van burgemeester en wethouders de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis, tenzij het uit anderen hoofde kan vaststellen tot welk bedrag er verrekend zou moeten worden.
7. Op verzoek van de burgemeester kan het college van burgemeester en wethouders besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden.