BWBR0006743
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 17
Rechtspositiebesluit burgemeesters
1. De wethouder die op grond van artikel 77, eerste lid, van de Gemeentewetgedurende meer dan dertig dagen onafgebroken het ambt van burgemeester waarneemt en die zijn wethouderschap in deeltijd uitoefent, ontvangt een bezoldiging verbonden aan een voltijds-wethouderschap. Op deze bezoldiging wordt de bezoldiging verbonden aan zijn wethouderschap in deeltijd in mindering gebracht.
2. Het raadslid dat op grond van artikel 77, tweede lid, van de Gemeentewetgedurende meer dan dertig dagen onafgebroken het ambt van burgemeester waarneemt, ontvangt voor die tijd de voor dat ambt vastgestelde minimumbezoldiging. Op deze bezoldiging wordt de vergoeding als raadslid in mindering gebracht. Tijdens de waarneming zijn de artikelen 15en 32van overeenkomstige toepassing.
3. Degene die op grond van artikel 78 van de Gemeentewetals waarnemend burgemeester is aangewezen, is dit besluit van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 14cen 39 tot en met 41, de artikelen 43 tot en met 46cen de artikelen 48 tot en met 65.
4. Indien een waarnemend burgemeester, aangewezen op grond van artikel 78 van de Gemeentewet, tevens burgemeester van een andere gemeente is en de beide gemeenten met overeenkomstige toepassing van artikel 5, tweede lid, worden ingedeeld in een hogere inwonersklasse dan klasse 2, wordt de bezoldiging bepaald op het bedrag dat behoort bij die hogere inwonersklasse.
5. Indien een waarnemend burgemeester, aangewezen op grond van artikel 78 van de Gemeentewet, tevens burgemeester van een andere gemeente is, kan in afwijking van artikel 14, de verhouding waarin de bezoldiging en de aanspraken, bedoeld in dat artikel, ten laste van de gemeenten komen, door Onze Minister worden vastgesteld.
6. Onze Minister kan in bijzondere gevallen, de commissaris gehoord:
a. de vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, zo nodig met inachtneming van de laatste volzin van het eerste lid, op een hoger bedrag bepalen, tot ten hoogste de voor het ambt vastgestelde maximum- of vaste bezoldiging, vermeerderd met de bijdrage, bedoeld in artikel 16;
b. een vergoeding als bedoeld in de artikelen 31 en 32 toekennen.
2. Het raadslid dat op grond van artikel 77, tweede lid, van de Gemeentewetgedurende meer dan dertig dagen onafgebroken het ambt van burgemeester waarneemt, ontvangt voor die tijd de voor dat ambt vastgestelde minimumbezoldiging. Op deze bezoldiging wordt de vergoeding als raadslid in mindering gebracht. Tijdens de waarneming zijn de artikelen 15en 32van overeenkomstige toepassing.
3. Degene die op grond van artikel 78 van de Gemeentewetals waarnemend burgemeester is aangewezen, is dit besluit van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 14cen 39 tot en met 41, de artikelen 43 tot en met 46cen de artikelen 48 tot en met 65.
4. Indien een waarnemend burgemeester, aangewezen op grond van artikel 78 van de Gemeentewet, tevens burgemeester van een andere gemeente is en de beide gemeenten met overeenkomstige toepassing van artikel 5, tweede lid, worden ingedeeld in een hogere inwonersklasse dan klasse 2, wordt de bezoldiging bepaald op het bedrag dat behoort bij die hogere inwonersklasse.
5. Indien een waarnemend burgemeester, aangewezen op grond van artikel 78 van de Gemeentewet, tevens burgemeester van een andere gemeente is, kan in afwijking van artikel 14, de verhouding waarin de bezoldiging en de aanspraken, bedoeld in dat artikel, ten laste van de gemeenten komen, door Onze Minister worden vastgesteld.
6. Onze Minister kan in bijzondere gevallen, de commissaris gehoord:
a. de vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, zo nodig met inachtneming van de laatste volzin van het eerste lid, op een hoger bedrag bepalen, tot ten hoogste de voor het ambt vastgestelde maximum- of vaste bezoldiging, vermeerderd met de bijdrage, bedoeld in artikel 16;
b. een vergoeding als bedoeld in de artikelen 31 en 32 toekennen.