BWBR0006444
Geldig vanaf 1994-02-17
Artikel 5
Regeling subsidieplafond, verdelingsregels en aanwijzing bouwjaren met betrekking tot huisvestingsvoorzieningen b.a.o. en (v.)s.o. 1994
5.1. De ten hoogste beschikbare bedragen bedoeld in artikel 64b, eerste lid onder a3o van de WBOvoor de tussen 1 november 1994 en 1 oktober 1995 aangevraagde voorzieningen voor de schooljaren 1994/1995 en 1995/1996 zijn als volgt vastgesteld:
a. als genoemd in artikel 5.2. van deze regeling f 4,7 mln (jaarvergoeding);
b. als genoemd in artikel 5.3. van deze regeling f 15,6 mln (investering);
c. noodzakelijke vervanging als bedoeld in artikel 64b, zevende lid f 3,0 mln (jaarvergoeding)
d. voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen van basisscholen die gerealiseerd en gereedgemeld zijn op basis van een beschikking of die gerealiseerd worden op basis van een beschikking en waarbij de verstrekking van de bouwopdracht conform artikel III van de Wet van 18 juni 1992 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs in verband met aanpassingen in de bekostigingsstelsels (Stb. 1992, 310), dan wel conform artikel 73, vierde of vijfde lid van de WBO en voor 1 januari 1994 heeft plaatsgevonden, doch waarvan de beschikking is vervallen wegens het niet tijdig inzenden van de bouwopdracht.
5.2. Het in 5.1. onder a., genoemde bedrag is, voor zover artikel 11geen toepassing vindt, uitsluitend bestemd voor de volgende voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen:
a. nieuwbouw (aanvullende en zelfstandige voorziening),
b. uitbreiding,
c. ingebruikneming/huur bestaand (gebouw)gedeelte,
d. verplaatsing en
e. vermeerdering klokuren voor C-lokalen.
5.3. Het in 5.1. onder b., genoemde bedrag is, voor zover artikel 11geen toepassing vindt, uitsluitend bestemd voor de volgende voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen:
f. onderwijsleerpakket en meubilair en
g. g. onderwijsleerpakket.
5.4. Bij de toewijzing van voorzieningen genoemd in 5.2. wordt:
a. voorrang gegeven aan voorzieningen die bestemd zijn als aanvullende huisvesting bij hoofdvestigingen van basisscholen samengevoegd na fusie op of na 1 augustus 1992, waarbij de volgorde van toewijzing wordt bepaald aan de hand van de criteria genoemd in artikel 1.3 onder a1 en onder a2 van deze regeling;
b. daarna toegewezen de voorziening die noodzakelijk is om een tekort aan groepsruimten op te heffen. Toewijzing vindt het eerst plaats aan die hoofd- of nevenvestiging, waarbij de verhouding tussen het hiervoor noodzakelijke aantal groepsruimten en de schoolgrootte de hoogste uitkomst kent. Vervolgens wordt toegewezen aan de daarop hoogste;
c. tenslotte toegewezen de voorziening die noodzakelijk is om een tekort aan klokuren op te heffen. Toewijzing vindt het eerst plaats aan die hoofd- of nevenvestiging, waarbij de verhouding tussen het hiervoor noodzakelijke aantal klokuren en de huidige gebruiksuren de hoogste uitkomst kent. Vervolgens wordt toegewezen aan de daarop hoogste.
5.5. Bij de toewijzing van de in 5.3. genoemde voorzieningen wordt:
a. voorrang gegeven aan onderwijsleerpakket en meubilair en/of onderwijsleerpakket, indien het bepaalde in artikel 14 van het Huisvestingsbesluit WBO dat voor de hoofdvestiging rechtvaardigt en tevens een voorziening uit 5.4 onder a wordt toegewezen;
b. vervolgens aan onderwijsleerpakket en meubilair en/of onderwijsleerpakket, indien het bepaalde in artikel 14 van het Huisvestingsbesluit WBO dat voor de hoofd- of nevenvestiging rechtvaardigt en tevens een voorziening uit 5.4 onder b wordt toegewezen;
c. tenslotte onderwijsleerpakket en meubilair en/of onderwijsleerpakket, indien het bepaalde in artikel 14 van het Huisvestingsbesluit WBO dat voor de hoofd- of nevenvestiging rechtvaardigt.
Toewijzing vindt het eerst plaats aan die school, waarbij de verhouding tussen het hiervoor noodzakelijke aantal eenheden (groepen) en het aantal groepen waarvoor reeds bekostiging is verstrekt de hoogste uitkomst kent. Vervolgens wordt toegewezen aan de daarop hoogste.
5.6. De voorziening genoemd in 5.1. onder c, wordt toegewezen, indien de gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw voldoet aan de voorwaarden in artikel 64b, zevende lid, van de WBO. Als eerste wordt toegewezen aan de hoofd- of nevenvestiging waar de noodzaak tot vervanging het grootst is. Daarna wordt toegewezen aan de daarop volgende grootste noodzaak.
5.7. Bij de toewijzing van voorzieningen genoemd in 5.1. onder d wordt een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening slechts goedgekeurd indien de school vanaf schooljaar 1995/1996 tenminste 4 jaar de betreffende voorziening nodig heeft en de betreffende voorziening past binnen het beleid gericht op optimaal gebruik van de bestaande gebouwencapaciteit. Als eerste wordt toegewezen de voorziening met het hoogste bedrag, voor zover er geen voorzieningen met hogere bedragen worden toegewezen op grond van artikel 3.3.
a. als genoemd in artikel 5.2. van deze regeling f 4,7 mln (jaarvergoeding);
b. als genoemd in artikel 5.3. van deze regeling f 15,6 mln (investering);
c. noodzakelijke vervanging als bedoeld in artikel 64b, zevende lid f 3,0 mln (jaarvergoeding)
d. voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen van basisscholen die gerealiseerd en gereedgemeld zijn op basis van een beschikking of die gerealiseerd worden op basis van een beschikking en waarbij de verstrekking van de bouwopdracht conform artikel III van de Wet van 18 juni 1992 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs in verband met aanpassingen in de bekostigingsstelsels (Stb. 1992, 310), dan wel conform artikel 73, vierde of vijfde lid van de WBO en voor 1 januari 1994 heeft plaatsgevonden, doch waarvan de beschikking is vervallen wegens het niet tijdig inzenden van de bouwopdracht.
5.2. Het in 5.1. onder a., genoemde bedrag is, voor zover artikel 11geen toepassing vindt, uitsluitend bestemd voor de volgende voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen:
a. nieuwbouw (aanvullende en zelfstandige voorziening),
b. uitbreiding,
c. ingebruikneming/huur bestaand (gebouw)gedeelte,
d. verplaatsing en
e. vermeerdering klokuren voor C-lokalen.
5.3. Het in 5.1. onder b., genoemde bedrag is, voor zover artikel 11geen toepassing vindt, uitsluitend bestemd voor de volgende voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen:
f. onderwijsleerpakket en meubilair en
g. g. onderwijsleerpakket.
5.4. Bij de toewijzing van voorzieningen genoemd in 5.2. wordt:
a. voorrang gegeven aan voorzieningen die bestemd zijn als aanvullende huisvesting bij hoofdvestigingen van basisscholen samengevoegd na fusie op of na 1 augustus 1992, waarbij de volgorde van toewijzing wordt bepaald aan de hand van de criteria genoemd in artikel 1.3 onder a1 en onder a2 van deze regeling;
b. daarna toegewezen de voorziening die noodzakelijk is om een tekort aan groepsruimten op te heffen. Toewijzing vindt het eerst plaats aan die hoofd- of nevenvestiging, waarbij de verhouding tussen het hiervoor noodzakelijke aantal groepsruimten en de schoolgrootte de hoogste uitkomst kent. Vervolgens wordt toegewezen aan de daarop hoogste;
c. tenslotte toegewezen de voorziening die noodzakelijk is om een tekort aan klokuren op te heffen. Toewijzing vindt het eerst plaats aan die hoofd- of nevenvestiging, waarbij de verhouding tussen het hiervoor noodzakelijke aantal klokuren en de huidige gebruiksuren de hoogste uitkomst kent. Vervolgens wordt toegewezen aan de daarop hoogste.
5.5. Bij de toewijzing van de in 5.3. genoemde voorzieningen wordt:
a. voorrang gegeven aan onderwijsleerpakket en meubilair en/of onderwijsleerpakket, indien het bepaalde in artikel 14 van het Huisvestingsbesluit WBO dat voor de hoofdvestiging rechtvaardigt en tevens een voorziening uit 5.4 onder a wordt toegewezen;
b. vervolgens aan onderwijsleerpakket en meubilair en/of onderwijsleerpakket, indien het bepaalde in artikel 14 van het Huisvestingsbesluit WBO dat voor de hoofd- of nevenvestiging rechtvaardigt en tevens een voorziening uit 5.4 onder b wordt toegewezen;
c. tenslotte onderwijsleerpakket en meubilair en/of onderwijsleerpakket, indien het bepaalde in artikel 14 van het Huisvestingsbesluit WBO dat voor de hoofd- of nevenvestiging rechtvaardigt.
Toewijzing vindt het eerst plaats aan die school, waarbij de verhouding tussen het hiervoor noodzakelijke aantal eenheden (groepen) en het aantal groepen waarvoor reeds bekostiging is verstrekt de hoogste uitkomst kent. Vervolgens wordt toegewezen aan de daarop hoogste.
5.6. De voorziening genoemd in 5.1. onder c, wordt toegewezen, indien de gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw voldoet aan de voorwaarden in artikel 64b, zevende lid, van de WBO. Als eerste wordt toegewezen aan de hoofd- of nevenvestiging waar de noodzaak tot vervanging het grootst is. Daarna wordt toegewezen aan de daarop volgende grootste noodzaak.
5.7. Bij de toewijzing van voorzieningen genoemd in 5.1. onder d wordt een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening slechts goedgekeurd indien de school vanaf schooljaar 1995/1996 tenminste 4 jaar de betreffende voorziening nodig heeft en de betreffende voorziening past binnen het beleid gericht op optimaal gebruik van de bestaande gebouwencapaciteit. Als eerste wordt toegewezen de voorziening met het hoogste bedrag, voor zover er geen voorzieningen met hogere bedragen worden toegewezen op grond van artikel 3.3.