BWBR0006444
Geldig vanaf 1994-02-17
Artikel 2
Regeling subsidieplafond, verdelingsregels en aanwijzing bouwjaren met betrekking tot huisvestingsvoorzieningen b.a.o. en (v.)s.o. 1994
2.1. De ten hoogste beschikbare bedragen voor de voorzieningen bedoeld in artikel XV, tweede lid onder b, van de Wet toerusting en bereikbaarheid voor het bekostigingsjaar 1996 zijn voor:
a. (vervangende) nieuwbouw van een lesgebouw/ gebouw voor onderwijs in lichamelijke oefening f 68,0 mln (investering),
b. ingebruikneming van een lesgebouw/ gebouw voor onderwijs in lichamelijke oefening f 15,0 mln (investering),
c. uitbreiding van een lesgebouw/ gebouw voor onderwijs in lichamelijke oefening f 37,0 mln (investering),
d. partiële aanpassing f 3,4 mln (investering),
e. algehele aanpassing f 29,0 mln (investering),
f. elementen van ingrijpend onderhoud, niet zijnde voorheen behorend tot het technisch onderhoud f 8,2 mln (investering), alsmede
g. onderwijsleerpakket en meubilair en/of onderwijsleerpakket f 5,3 mln (investering).
2.2. De in 2.1. genoemde bedragen zijn, voor zover artikel 11geen toepassing vindt, uitsluitend bestemd voor de aldaar genoemde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen.
2.3. Bij de toewijzing van de voorzieningen genoemd in 2.1. wordt:
a. een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, met uitzondering van onderwijsleerpakket en meubilair, slechts toegewezen wanneer de hoofd- of nevenvestiging vanaf 1996 ten minste 20 jaar levensvatbaar is en de voorziening bijdraagt aan een optimaal gebruik van de bestaande gebouwencapaciteit, dan wel deze bestendigt en waarbij: 1. aan voorzieningen genoemd in 2.1., onderdelen a,b en c voorrang wordt gegeven, die noodzakelijk zijn om een tekort aan ruimte op te heffen, waarbij als eerste worden toegewezen de voorzieningen voor die hoofd- of nevenvestiging die het grootste tekort aan ruimte heeft ten opzichte van de aanwezige gebouwencapaciteit, terwijl bij een gelijk tekort de school met het grootste aantal leerlingen op 1 oktober 1994 in verhouding tot de opheffingsnorm van de gemeente van vestiging c.q. opheffingsnorm als genoemd in artikel 107 e, eerste lid onder a,b en c van de WBO voorgaat;
2. aan de voorziening genoemd in 2.1., onderdeel d voorrang wordt gegeven, die het daadwerkelijk buitengebruikstellen van een niet meer noodzakelijk gebouw mogelijk maakt, waarbij de voorziening met de geringste kosten voorgaat en vervolgens wordt goedgekeurd een andere partiële aanpassing met de geringste kosten;
3. aan de voorziening genoemd in 2.1. onderdeel e (aangewezen op grond van artikel 14 en 24.1) voorrang wordt gegeven aan het oudste gebouw voor de hoofd- of nevenvestiging, terwijl bij gelijke ouderdom het gebouw met het daarin hoogste aantal geplaatste groepen voorgaat;
4. voor elementen van de voorzieningen genoemd in 2.1. onderdeel f voorrang wordt gegeven aan vervanging van een element van ingrijpend onderhoud bij een op basis van de artikelen 15, 20 tot en met 23 of artikel 24.2 van deze regeling aangewezen gebouw. De toewijzing vindt plaats door als eerste het ingrijpend onderhoud goed te keuren ten behoeve van de aanvraag die per gebouwelement in de combinatie van conditie en wegingsgetal de hoogste score kent in het bouwkundig rapport, voor zover tenminste 50 procent van het betreffende gebouwelement in conditie 4 of hoger verkeert. En vervolgens wordt toegewezen aan de aanvrager met de daarop volgende hoogste score. Het gaat om de volgende gebouwelementen, gerangschikt naar prioriteit: gevelkozijn
hellend dak
binnenkozijnen
c.v.leidingen en radiatoren
waterleiding/sanitair
mechanische ventilatie toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
gevelkozijn
hellend dak
binnenkozijnen
c.v.leidingen en radiatoren
waterleiding/sanitair
mechanische ventilatie toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
1. aan voorzieningen genoemd in 2.1., onderdelen a,b en c voorrang wordt gegeven, die noodzakelijk zijn om een tekort aan ruimte op te heffen, waarbij als eerste worden toegewezen de voorzieningen voor die hoofd- of nevenvestiging die het grootste tekort aan ruimte heeft ten opzichte van de aanwezige gebouwencapaciteit, terwijl bij een gelijk tekort de school met het grootste aantal leerlingen op 1 oktober 1994 in verhouding tot de opheffingsnorm van de gemeente van vestiging c.q. opheffingsnorm als genoemd in artikel 107 e, eerste lid onder a,b en c van de WBO voorgaat;
2. aan de voorziening genoemd in 2.1., onderdeel d voorrang wordt gegeven, die het daadwerkelijk buitengebruikstellen van een niet meer noodzakelijk gebouw mogelijk maakt, waarbij de voorziening met de geringste kosten voorgaat en vervolgens wordt goedgekeurd een andere partiële aanpassing met de geringste kosten;
3. aan de voorziening genoemd in 2.1. onderdeel e (aangewezen op grond van artikel 14 en 24.1) voorrang wordt gegeven aan het oudste gebouw voor de hoofd- of nevenvestiging, terwijl bij gelijke ouderdom het gebouw met het daarin hoogste aantal geplaatste groepen voorgaat;
4. voor elementen van de voorzieningen genoemd in 2.1. onderdeel f voorrang wordt gegeven aan vervanging van een element van ingrijpend onderhoud bij een op basis van de artikelen 15, 20 tot en met 23 of artikel 24.2 van deze regeling aangewezen gebouw. De toewijzing vindt plaats door als eerste het ingrijpend onderhoud goed te keuren ten behoeve van de aanvraag die per gebouwelement in de combinatie van conditie en wegingsgetal de hoogste score kent in het bouwkundig rapport, voor zover tenminste 50 procent van het betreffende gebouwelement in conditie 4 of hoger verkeert. En vervolgens wordt toegewezen aan de aanvrager met de daarop volgende hoogste score. Het gaat om de volgende gebouwelementen, gerangschikt naar prioriteit: gevelkozijn
hellend dak
binnenkozijnen
c.v.leidingen en radiatoren
waterleiding/sanitair
mechanische ventilatie toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
gevelkozijn
hellend dak
binnenkozijnen
c.v.leidingen en radiatoren
waterleiding/sanitair
mechanische ventilatie toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
b. Onderwijsleerpakket en meubilair of onderwijsleerpakket genoemd in 2.1. onderdeel g wordt toegewezen, indien het bepaalde in artikel 14 van het Huisvestingsbesluit WBO dat voor de hoofd- of nevenvestiging rechtvaardigt en tevens een voorziening uit 2.1. onderdelen a,b of c wordt toegewezen.
a. (vervangende) nieuwbouw van een lesgebouw/ gebouw voor onderwijs in lichamelijke oefening f 68,0 mln (investering),
b. ingebruikneming van een lesgebouw/ gebouw voor onderwijs in lichamelijke oefening f 15,0 mln (investering),
c. uitbreiding van een lesgebouw/ gebouw voor onderwijs in lichamelijke oefening f 37,0 mln (investering),
d. partiële aanpassing f 3,4 mln (investering),
e. algehele aanpassing f 29,0 mln (investering),
f. elementen van ingrijpend onderhoud, niet zijnde voorheen behorend tot het technisch onderhoud f 8,2 mln (investering), alsmede
g. onderwijsleerpakket en meubilair en/of onderwijsleerpakket f 5,3 mln (investering).
2.2. De in 2.1. genoemde bedragen zijn, voor zover artikel 11geen toepassing vindt, uitsluitend bestemd voor de aldaar genoemde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen.
2.3. Bij de toewijzing van de voorzieningen genoemd in 2.1. wordt:
a. een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, met uitzondering van onderwijsleerpakket en meubilair, slechts toegewezen wanneer de hoofd- of nevenvestiging vanaf 1996 ten minste 20 jaar levensvatbaar is en de voorziening bijdraagt aan een optimaal gebruik van de bestaande gebouwencapaciteit, dan wel deze bestendigt en waarbij: 1. aan voorzieningen genoemd in 2.1., onderdelen a,b en c voorrang wordt gegeven, die noodzakelijk zijn om een tekort aan ruimte op te heffen, waarbij als eerste worden toegewezen de voorzieningen voor die hoofd- of nevenvestiging die het grootste tekort aan ruimte heeft ten opzichte van de aanwezige gebouwencapaciteit, terwijl bij een gelijk tekort de school met het grootste aantal leerlingen op 1 oktober 1994 in verhouding tot de opheffingsnorm van de gemeente van vestiging c.q. opheffingsnorm als genoemd in artikel 107 e, eerste lid onder a,b en c van de WBO voorgaat;
2. aan de voorziening genoemd in 2.1., onderdeel d voorrang wordt gegeven, die het daadwerkelijk buitengebruikstellen van een niet meer noodzakelijk gebouw mogelijk maakt, waarbij de voorziening met de geringste kosten voorgaat en vervolgens wordt goedgekeurd een andere partiële aanpassing met de geringste kosten;
3. aan de voorziening genoemd in 2.1. onderdeel e (aangewezen op grond van artikel 14 en 24.1) voorrang wordt gegeven aan het oudste gebouw voor de hoofd- of nevenvestiging, terwijl bij gelijke ouderdom het gebouw met het daarin hoogste aantal geplaatste groepen voorgaat;
4. voor elementen van de voorzieningen genoemd in 2.1. onderdeel f voorrang wordt gegeven aan vervanging van een element van ingrijpend onderhoud bij een op basis van de artikelen 15, 20 tot en met 23 of artikel 24.2 van deze regeling aangewezen gebouw. De toewijzing vindt plaats door als eerste het ingrijpend onderhoud goed te keuren ten behoeve van de aanvraag die per gebouwelement in de combinatie van conditie en wegingsgetal de hoogste score kent in het bouwkundig rapport, voor zover tenminste 50 procent van het betreffende gebouwelement in conditie 4 of hoger verkeert. En vervolgens wordt toegewezen aan de aanvrager met de daarop volgende hoogste score. Het gaat om de volgende gebouwelementen, gerangschikt naar prioriteit: gevelkozijn
hellend dak
binnenkozijnen
c.v.leidingen en radiatoren
waterleiding/sanitair
mechanische ventilatie toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
gevelkozijn
hellend dak
binnenkozijnen
c.v.leidingen en radiatoren
waterleiding/sanitair
mechanische ventilatie toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
1. aan voorzieningen genoemd in 2.1., onderdelen a,b en c voorrang wordt gegeven, die noodzakelijk zijn om een tekort aan ruimte op te heffen, waarbij als eerste worden toegewezen de voorzieningen voor die hoofd- of nevenvestiging die het grootste tekort aan ruimte heeft ten opzichte van de aanwezige gebouwencapaciteit, terwijl bij een gelijk tekort de school met het grootste aantal leerlingen op 1 oktober 1994 in verhouding tot de opheffingsnorm van de gemeente van vestiging c.q. opheffingsnorm als genoemd in artikel 107 e, eerste lid onder a,b en c van de WBO voorgaat;
2. aan de voorziening genoemd in 2.1., onderdeel d voorrang wordt gegeven, die het daadwerkelijk buitengebruikstellen van een niet meer noodzakelijk gebouw mogelijk maakt, waarbij de voorziening met de geringste kosten voorgaat en vervolgens wordt goedgekeurd een andere partiële aanpassing met de geringste kosten;
3. aan de voorziening genoemd in 2.1. onderdeel e (aangewezen op grond van artikel 14 en 24.1) voorrang wordt gegeven aan het oudste gebouw voor de hoofd- of nevenvestiging, terwijl bij gelijke ouderdom het gebouw met het daarin hoogste aantal geplaatste groepen voorgaat;
4. voor elementen van de voorzieningen genoemd in 2.1. onderdeel f voorrang wordt gegeven aan vervanging van een element van ingrijpend onderhoud bij een op basis van de artikelen 15, 20 tot en met 23 of artikel 24.2 van deze regeling aangewezen gebouw. De toewijzing vindt plaats door als eerste het ingrijpend onderhoud goed te keuren ten behoeve van de aanvraag die per gebouwelement in de combinatie van conditie en wegingsgetal de hoogste score kent in het bouwkundig rapport, voor zover tenminste 50 procent van het betreffende gebouwelement in conditie 4 of hoger verkeert. En vervolgens wordt toegewezen aan de aanvrager met de daarop volgende hoogste score. Het gaat om de volgende gebouwelementen, gerangschikt naar prioriteit: gevelkozijn
hellend dak
binnenkozijnen
c.v.leidingen en radiatoren
waterleiding/sanitair
mechanische ventilatie toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
gevelkozijn
hellend dak
binnenkozijnen
c.v.leidingen en radiatoren
waterleiding/sanitair
mechanische ventilatie toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
toiletten
gemeenschapsruimten
toilet en gemeenschapsruimten.
b. Onderwijsleerpakket en meubilair of onderwijsleerpakket genoemd in 2.1. onderdeel g wordt toegewezen, indien het bepaalde in artikel 14 van het Huisvestingsbesluit WBO dat voor de hoofd- of nevenvestiging rechtvaardigt en tevens een voorziening uit 2.1. onderdelen a,b of c wordt toegewezen.