BWBR0006379
Geldig vanaf 2004-12-29
Artikel 5
Regeling vangstbeperking
1. Met ingang van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de verordening (EEG) nr. 2847/93van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 261) vastgestelde datum, is het verboden:
a. in de visserijzone met een vaartuig dat de vlag voert van, of geregistreerd is in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, de visserij uit te oefenen op de vissoorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt;
b. vis van de soorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt in de visserijzone aan boord te houden van dat vaartuig;
c. vis van deze soorten met dat vaartuig in Nederland aan te voeren.
2. Met ingang van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de in het eerste lid genoemde verordening vastgestelde datum, is het verboden:
a. in de visserijzone, met een vaartuig dat de vlag voert van, of geregistreerd is in, een andere lid-staat van de Europese Unie dan Nederland de visserij uit te oefenen op de vissoorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt;
b. vis van de soorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt in de visserijzone aan boord te houden van dat vaartuig;
c. vis van deze soorten met dat vaartuig in Nederland aan te voeren.
3. Met ingang van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 28 quinquis van de in het eerste lid genoemde verordening vastgestelde datum, is het verboden:
a. in de visserijzone, met een vissersvaartuig dat de vlag voert van, of geregistreerd is in een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie de visserij uit te oefenen op de vissoorten waarvoor de voornoemde vaststelling geldt, tenzij is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 18 van de verordening inzake vangstmogelijkheden;
b. vis van de soorten waarvoor de voornoemde vaststelling geldt in de visserijzone aan boord te houden van dat vissersvaartuig of over te laden;
c. vis van deze soorten met dat vissersvaartuig in Nederland aan te voeren.
a. in de visserijzone met een vaartuig dat de vlag voert van, of geregistreerd is in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, de visserij uit te oefenen op de vissoorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt;
b. vis van de soorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt in de visserijzone aan boord te houden van dat vaartuig;
c. vis van deze soorten met dat vaartuig in Nederland aan te voeren.
2. Met ingang van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de in het eerste lid genoemde verordening vastgestelde datum, is het verboden:
a. in de visserijzone, met een vaartuig dat de vlag voert van, of geregistreerd is in, een andere lid-staat van de Europese Unie dan Nederland de visserij uit te oefenen op de vissoorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt;
b. vis van de soorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt in de visserijzone aan boord te houden van dat vaartuig;
c. vis van deze soorten met dat vaartuig in Nederland aan te voeren.
3. Met ingang van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 28 quinquis van de in het eerste lid genoemde verordening vastgestelde datum, is het verboden:
a. in de visserijzone, met een vissersvaartuig dat de vlag voert van, of geregistreerd is in een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie de visserij uit te oefenen op de vissoorten waarvoor de voornoemde vaststelling geldt, tenzij is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 18 van de verordening inzake vangstmogelijkheden;
b. vis van de soorten waarvoor de voornoemde vaststelling geldt in de visserijzone aan boord te houden van dat vissersvaartuig of over te laden;
c. vis van deze soorten met dat vissersvaartuig in Nederland aan te voeren.