BWBR0006379
Geldig vanaf 2004-12-29
Artikel 2b
Regeling vangstbeperking
1. De minister kan een deel van de vangstmogelijkheden die voor een kalenderjaar ingevolge artikel 20, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2371/2002van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (Pb EG L 358) op de vissoorten en de gebieden, bedoeld in onderdeel a van de bijlage bij de Regeling contingentering zeevis, aan Nederland zijn toegewezen, reserveren ten behoeve van:
a. het ruilen van vangstmogelijkheden met andere lidstaten als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van de in de aanhef bedoelde verordening;
b. verlagingen van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van de in de aanhef bedoelde verordening, in de artikelen 21, vierde lid, 23, eerste lid, en 32, tweede lid van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 261) en in artikel 5 van verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota PbEG L 115), en
c. toewijzing aan een ondernemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Regeling contingentering zeevis, respectievelijk aan een groep dan wel producentenorganisatie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van die regeling, waarvan is vastgesteld dat met het vissersvaartuig van de ondernemer of met de vissersvaartuigen van de ondernemers die bij de desbetreffende groep dan wel producentenorganisatie zijn aangesloten in een nader te bepalen periode de visserij is uitgeoefend overeenkomstig artikel 5 van de Regeling visvergunning, de artikelen 2 tot en met 4 en 10 tot met 10b van de Regeling technische maatregelen 2000 of met de artikelen 2 tot en met 4 van de Regeling contingentering zeevis.
2. Voor de vangst van het deel van de vangstmogelijkheden dat is gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt, na aftrek van de geruilde hoeveelheden en de verlagingen, uiterlijk 1 juni van een kalenderjaar vrijstelling, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, verleend.
3. Het deel van de vangstmogelijkheden dat wordt gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, bedraagt ten hoogste 10% van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden op de vissoorten in de gebieden, bedoeld in bijlage 3bij deze regeling.
4. Voor de vangst van het deel van de vangstmogelijkheden dat is gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, wordt aan ondernemers of groepen als bedoeld in dat onderdeel uiterlijk 1 juni van een kalenderjaar vrijstelling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, verleend. De minister stelt de criteria vast die worden gehanteerd bij de verlening van die vrijstelling.
a. het ruilen van vangstmogelijkheden met andere lidstaten als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van de in de aanhef bedoelde verordening;
b. verlagingen van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van de in de aanhef bedoelde verordening, in de artikelen 21, vierde lid, 23, eerste lid, en 32, tweede lid van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 261) en in artikel 5 van verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota PbEG L 115), en
c. toewijzing aan een ondernemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Regeling contingentering zeevis, respectievelijk aan een groep dan wel producentenorganisatie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van die regeling, waarvan is vastgesteld dat met het vissersvaartuig van de ondernemer of met de vissersvaartuigen van de ondernemers die bij de desbetreffende groep dan wel producentenorganisatie zijn aangesloten in een nader te bepalen periode de visserij is uitgeoefend overeenkomstig artikel 5 van de Regeling visvergunning, de artikelen 2 tot en met 4 en 10 tot met 10b van de Regeling technische maatregelen 2000 of met de artikelen 2 tot en met 4 van de Regeling contingentering zeevis.
2. Voor de vangst van het deel van de vangstmogelijkheden dat is gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt, na aftrek van de geruilde hoeveelheden en de verlagingen, uiterlijk 1 juni van een kalenderjaar vrijstelling, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, verleend.
3. Het deel van de vangstmogelijkheden dat wordt gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, bedraagt ten hoogste 10% van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden op de vissoorten in de gebieden, bedoeld in bijlage 3bij deze regeling.
4. Voor de vangst van het deel van de vangstmogelijkheden dat is gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, wordt aan ondernemers of groepen als bedoeld in dat onderdeel uiterlijk 1 juni van een kalenderjaar vrijstelling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, verleend. De minister stelt de criteria vast die worden gehanteerd bij de verlening van die vrijstelling.