BWBR0006379
Geldig vanaf 2004-12-29
Artikel 2
Regeling vangstbeperking
1. Het is verboden met een vissersvaartuig de visserij uit te oefenen op de vissoorten genoemd in de bijlagen 2, 3en 4in de bij die vissoorten genoemde wateren.
2. Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt vrijstelling verleend voor zover het betreft de vangst door:
a. de gezamenlijke Nederlandse vissers van de hoeveelheid per vissoort, per deelgebied of sector en voor de periode vermeld in bijlage 3;
b. de gezamenlijke vissers van de lidstaten van de Europese Unie van de hoeveelheid per vissoort, per deelgebied of sector en voor de periode vermeld in bijlage 4, en
c. vissersvaartuigen die de vlag voeren van, of geregistreerd zijn in een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie, in de gebieden vermeld in bijlage 2, 3 en 4, mits de visserij wordt uitgeoefend overeenkomstig artikel 14 van de verordening inzake vangstmogelijkheden.
3. De minister kan de vrijstellingen bedoeld in het tweede lid intrekken dan wel de in bijlage 3en 4genoemde hoeveelheden wijzigen, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor de nakoming van communautaire verplichtingen.
4. De minister maakt het tijdstip bekend waarop naar zijn oordeel de in het tweede lid bedoelde hoeveelheden zijn opgevist. Dit tijdstip kan per vissoort verschillen.
5. De minister kan de vrijstellingen bedoeld in het tweede lid intrekken, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor de naleving van reeds ingetrokken vrijstellingen als bedoeld in dit artikel en in artikel 3.
6. De minister kan ontheffing van het in het eerste lid en het in artikel 3, eerste lid, gestelde verbod verlenen voor zover het gaat om vangsten voor wetenschappelijk onderzoek op grond van artikel 43 van verordening nr. 850/98.
7. De minister kan de vrijstelling als bedoeld in het tweede lid voor een bepaalde periode intrekken voor de vangst van kabeljauw in de gebieden, bedoeld in de onderdelen 5a.1 en 5d.1 van bijlage III van de verordening inzake vangstmogelijkheden, voor de aldaar bedoelde vaartuigen, indien hij dat noodzakelijk acht ter nakoming van het bepaalde in de onderdelen 5a.3 en 5d.3 van die bijlage.
2. Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt vrijstelling verleend voor zover het betreft de vangst door:
a. de gezamenlijke Nederlandse vissers van de hoeveelheid per vissoort, per deelgebied of sector en voor de periode vermeld in bijlage 3;
b. de gezamenlijke vissers van de lidstaten van de Europese Unie van de hoeveelheid per vissoort, per deelgebied of sector en voor de periode vermeld in bijlage 4, en
c. vissersvaartuigen die de vlag voeren van, of geregistreerd zijn in een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie, in de gebieden vermeld in bijlage 2, 3 en 4, mits de visserij wordt uitgeoefend overeenkomstig artikel 14 van de verordening inzake vangstmogelijkheden.
3. De minister kan de vrijstellingen bedoeld in het tweede lid intrekken dan wel de in bijlage 3en 4genoemde hoeveelheden wijzigen, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor de nakoming van communautaire verplichtingen.
4. De minister maakt het tijdstip bekend waarop naar zijn oordeel de in het tweede lid bedoelde hoeveelheden zijn opgevist. Dit tijdstip kan per vissoort verschillen.
5. De minister kan de vrijstellingen bedoeld in het tweede lid intrekken, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor de naleving van reeds ingetrokken vrijstellingen als bedoeld in dit artikel en in artikel 3.
6. De minister kan ontheffing van het in het eerste lid en het in artikel 3, eerste lid, gestelde verbod verlenen voor zover het gaat om vangsten voor wetenschappelijk onderzoek op grond van artikel 43 van verordening nr. 850/98.
7. De minister kan de vrijstelling als bedoeld in het tweede lid voor een bepaalde periode intrekken voor de vangst van kabeljauw in de gebieden, bedoeld in de onderdelen 5a.1 en 5d.1 van bijlage III van de verordening inzake vangstmogelijkheden, voor de aldaar bedoelde vaartuigen, indien hij dat noodzakelijk acht ter nakoming van het bepaalde in de onderdelen 5a.3 en 5d.3 van die bijlage.