BWBR0006258
Geldig vanaf 1994-02-01
Artikel 8
Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen
1. Voor zover het vervoeren van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen zonder vergunning bij of krachtens de wet is verboden, weigert Onze Minister een goedkeuring voor een verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, indien het vervoeren van de radioactieve afvalstoffen of het voorhanden hebben van die stoffen bij opslag in verband met het vervoer, door degene die die afvalstoffen binnen Nederlands grondgebied brengt of aan wie zij worden afgegeven, niet kan geschieden overeenkomstig de bij of krachtens het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen gestelde regels.
2. Onze Minister weigert voorts een goedkeuring voor een verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, 1°, indien:
a. het bewaren, het vernietigen, het op of in de bodem brengen of het zich ontdoen door afgifte van de radioactieve afvalstoffen niet kan plaatsvinden overeenkomstig de bij of krachtens de wet gestelde regels, of
b. geen verklaring kan worden overgelegd van een door Onze Minister en Onze andere Ministers erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen, waarbij deze zich bereid toont de betrokken radioactieve afvalstoffen in ontvangst te nemen.
3. Onze Minister weigert een goedkeuring voor een verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, indien het vervoerstraject onnodige risico's voor de openbare veiligheid of het milieu meebrengt.
4. Onze Minister kan een goedkeuring voor een verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, 1°, weigeren, indien het bewaren, het vernietigen, het op of in de bodem brengen, het zich ontdoen door afgifte, of het voorhanden hebben van de radioactieve afvalstoffen bij opslag in verband met het vervoer anderszins in strijd zou zijn met het belang van de bescherming van het milieu.
5. Onze Minister kan een goedkeuring voor een verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a en b, 2° en 3°, weigeren op de grond als bedoeld in het tweede lid, onder b.
2. Onze Minister weigert voorts een goedkeuring voor een verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, 1°, indien:
a. het bewaren, het vernietigen, het op of in de bodem brengen of het zich ontdoen door afgifte van de radioactieve afvalstoffen niet kan plaatsvinden overeenkomstig de bij of krachtens de wet gestelde regels, of
b. geen verklaring kan worden overgelegd van een door Onze Minister en Onze andere Ministers erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen, waarbij deze zich bereid toont de betrokken radioactieve afvalstoffen in ontvangst te nemen.
3. Onze Minister weigert een goedkeuring voor een verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, indien het vervoerstraject onnodige risico's voor de openbare veiligheid of het milieu meebrengt.
4. Onze Minister kan een goedkeuring voor een verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, 1°, weigeren, indien het bewaren, het vernietigen, het op of in de bodem brengen, het zich ontdoen door afgifte, of het voorhanden hebben van de radioactieve afvalstoffen bij opslag in verband met het vervoer anderszins in strijd zou zijn met het belang van de bescherming van het milieu.
5. Onze Minister kan een goedkeuring voor een verrichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a en b, 2° en 3°, weigeren op de grond als bedoeld in het tweede lid, onder b.