BWBR0006258
Geldig vanaf 1994-02-01
Artikel 7
Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen
1. Onze Minister beslist uiterlijk negen weken na de datum waarop van het bevoegd gezag van een andere lidstaat een verzoek is ontvangen om goedkeuring te verlenen aan de aanvraag om:
a. radioactieve afvalstoffen die afkomstig zijn van een Staat buiten de Europese Unie te brengen: 1°. naar een definitieve bestemming binnen zijn grondgebied via Nederlands grondgebied,
2°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een andere Staat buiten de Europese Unie via Nederlands grondgebied, of om
1°. naar een definitieve bestemming binnen zijn grondgebied via Nederlands grondgebied,
2°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een andere Staat buiten de Europese Unie via Nederlands grondgebied, of om
b. vanuit zijn grondgebied radioactieve afvalstoffen te brengen: 1°. naar een definitieve bestemming binnen Nederlands grondgebied;
2°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een derde lidstaat via Nederlands grondgebied;
3°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten de Europese Unie via Nederlands grondgebied.
1°. naar een definitieve bestemming binnen Nederlands grondgebied;
2°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een derde lidstaat via Nederlands grondgebied;
3°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten de Europese Unie via Nederlands grondgebied.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan met gebruikmaking van het document.
3. Indien Onze Minister het noodzakelijk acht dat de opslag van de radioactieve afvalstoffen in verband met het vervoer naar een definitieve bestemming als bedoeld in het eerste lid, onder aen b, 2° en 3°, plaatsvindt door een door Onze Minister en Onze andere Ministers erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen, doet hij daarvan onverwijld mededeling aan:
a. het bevoegd gezag van de lidstaat dat om goedkeuring heeft verzocht;
b. de ophaaldienst;
c. degene op wiens aanvraag het verzoek om goedkeuring betrekking heeft.
4. Indien Onze Minister uiterlijk zeven weken na de datum, bedoeld in het eerste lid, uitstel heeft gevraagd, beslist Onze Minister in afwijking van het eerste lid uiterlijk dertien weken na die datum.
5. Onze Minister zendt onverwijld een exemplaar van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, van zijn mededeling, bedoeld in het derde lid, onder a, en van zijn verzoek om uitstel aan Onze andere Ministers.
6. Onze Minister deelt met gebruikmaking van het document zijn beslissing omtrent een verzoek als bedoeld in het eerste lid onverwijld mee aan het bevoegd gezag van de lidstaat, dat om goedkeuring heeft verzocht. Hij deelt zijn beslissing onverwijld mee aan Onze andere Ministers en, voor zover dit van toepassing is, aan degene die voornemens is de radioactieve afvalstoffen in ontvangst te nemen en aan de ophaaldienst.
a. radioactieve afvalstoffen die afkomstig zijn van een Staat buiten de Europese Unie te brengen: 1°. naar een definitieve bestemming binnen zijn grondgebied via Nederlands grondgebied,
2°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een andere Staat buiten de Europese Unie via Nederlands grondgebied, of om
1°. naar een definitieve bestemming binnen zijn grondgebied via Nederlands grondgebied,
2°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een andere Staat buiten de Europese Unie via Nederlands grondgebied, of om
b. vanuit zijn grondgebied radioactieve afvalstoffen te brengen: 1°. naar een definitieve bestemming binnen Nederlands grondgebied;
2°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een derde lidstaat via Nederlands grondgebied;
3°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten de Europese Unie via Nederlands grondgebied.
1°. naar een definitieve bestemming binnen Nederlands grondgebied;
2°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een derde lidstaat via Nederlands grondgebied;
3°. naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten de Europese Unie via Nederlands grondgebied.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan met gebruikmaking van het document.
3. Indien Onze Minister het noodzakelijk acht dat de opslag van de radioactieve afvalstoffen in verband met het vervoer naar een definitieve bestemming als bedoeld in het eerste lid, onder aen b, 2° en 3°, plaatsvindt door een door Onze Minister en Onze andere Ministers erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen, doet hij daarvan onverwijld mededeling aan:
a. het bevoegd gezag van de lidstaat dat om goedkeuring heeft verzocht;
b. de ophaaldienst;
c. degene op wiens aanvraag het verzoek om goedkeuring betrekking heeft.
4. Indien Onze Minister uiterlijk zeven weken na de datum, bedoeld in het eerste lid, uitstel heeft gevraagd, beslist Onze Minister in afwijking van het eerste lid uiterlijk dertien weken na die datum.
5. Onze Minister zendt onverwijld een exemplaar van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, van zijn mededeling, bedoeld in het derde lid, onder a, en van zijn verzoek om uitstel aan Onze andere Ministers.
6. Onze Minister deelt met gebruikmaking van het document zijn beslissing omtrent een verzoek als bedoeld in het eerste lid onverwijld mee aan het bevoegd gezag van de lidstaat, dat om goedkeuring heeft verzocht. Hij deelt zijn beslissing onverwijld mee aan Onze andere Ministers en, voor zover dit van toepassing is, aan degene die voornemens is de radioactieve afvalstoffen in ontvangst te nemen en aan de ophaaldienst.