BWBR0006258
Geldig vanaf 1994-02-01
Artikel 28
Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen
1. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a , van de wet, voor het buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 21, tweede lid, naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten de Europese Unie indien:
a. zich één van de omstandigheden voordoet als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c, of
b. het vervoerstraject onnodige risico's voor de openbare veiligheid of het milieu meebrengt.
2. Onze Minister en Onze andere Ministers kunnen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a , van de wet, ten behoeve van een verrichting als bedoeld in het eerste lid afwijzend beschikken, indien:
a. aan hem niet wordt overgelegd een afschrift van de overeenkomst met degene door wie deze afvalstoffen in ontvangst zullen worden genomen, of
b. hij redelijkerwijs kan aannemen dat de voorgenomen wijze van opslag of vernietiging van de betrokken radioactieve afvalstoffen in strijd zal zijn met het belang van de bescherming van het milieu, of
c. de opmerkingen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, daartoe aanleiding geven.
3. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de afwijzende beschikking terstond mede aan de aanvrager en het bevoegd gezag van de betrokken Staten. Hij kan daarbij het verzoek om goedkeuring intrekken.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3ten behoeve van het buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 21, tweede lid, naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten de Europese Unie.
a. zich één van de omstandigheden voordoet als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c, of
b. het vervoerstraject onnodige risico's voor de openbare veiligheid of het milieu meebrengt.
2. Onze Minister en Onze andere Ministers kunnen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a , van de wet, ten behoeve van een verrichting als bedoeld in het eerste lid afwijzend beschikken, indien:
a. aan hem niet wordt overgelegd een afschrift van de overeenkomst met degene door wie deze afvalstoffen in ontvangst zullen worden genomen, of
b. hij redelijkerwijs kan aannemen dat de voorgenomen wijze van opslag of vernietiging van de betrokken radioactieve afvalstoffen in strijd zal zijn met het belang van de bescherming van het milieu, of
c. de opmerkingen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, daartoe aanleiding geven.
3. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de afwijzende beschikking terstond mede aan de aanvrager en het bevoegd gezag van de betrokken Staten. Hij kan daarbij het verzoek om goedkeuring intrekken.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3ten behoeve van het buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 21, tweede lid, naar een definitieve bestemming binnen het grondgebied van een Staat buiten de Europese Unie.