BWBR0006258
Geldig vanaf 1994-02-01
Artikel 20
Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen
1. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 15, onder a, en 29 van de wet, ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, indien:
a. het vervoer door of over een gebied gaat ten zuiden van 60° zuiderbreedte, dan wel de radioactieve afvalstoffen een bestemming hebben in dit gebied,
b. het vervoer door of over het grondgebied gaat van een Staat buiten de Europese Unie en die Staat partij is bij de Vierde ACS-EEG-Overeenkomst, dan wel de radioactieve afvalstoffen een bestemming hebben binnen het grondgebied van zo'n Staat, of
c. het vervoer door of over of het grondgebied gaat van een Staat buiten de Europese Unie en die Staat volgens de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde criteria niet beschikt over de technische, wettelijke of bestuurlijke middelen om de radioactieve afvalstoffen veilig te beheren, dan wel de radioactieve afvalstoffen een bestemming hebben binnen het grondgebied van zo'n Staat, of
d. Onze Minister de tijdelijke opslag in verband met het vervoer van de betrokken radioactieve afvalstoffen door een door Onze Minister en Onze andere Ministers erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen noodzakelijk acht en geen erkende ophaaldienst bereid is de betrokken radioactieve afvalstoffen tijdelijk in ontvangst te nemen, of
e. de opslag in verband met het vervoer door degene die de betrokken radioactieve afvalstoffen binnen Nederlands grondgebied brengt of aan wie zij worden afgegeven, niet kan geschieden overeenkomstig een vergunning, die geldt krachtens artikel 15, onder a, of 29 van de wet.
2. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikelen 15, onder a, en 29 van de wet, ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, indien het vervoerstraject onnodige risico's voor de openbare veiligheid of het milieu meebrengt.
3. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de afwijzende beschikking onverwijld mede aan:
a. de persoon, bedoeld in artikel 12, tweede lid;
b. het bevoegd gezag van de betrokken Staat of Staten buiten de Europese Unie, en
c. het bevoegd gezag van de lidstaten, aan wie goedkeuring is verzocht of aan wie blijkens de aanvraag goedkeuring zou zijn gevraagd, indien niet op grond van het eerste of tweede lid zou zijn geweigerd.
4. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, tweede lid.
a. het vervoer door of over een gebied gaat ten zuiden van 60° zuiderbreedte, dan wel de radioactieve afvalstoffen een bestemming hebben in dit gebied,
b. het vervoer door of over het grondgebied gaat van een Staat buiten de Europese Unie en die Staat partij is bij de Vierde ACS-EEG-Overeenkomst, dan wel de radioactieve afvalstoffen een bestemming hebben binnen het grondgebied van zo'n Staat, of
c. het vervoer door of over of het grondgebied gaat van een Staat buiten de Europese Unie en die Staat volgens de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde criteria niet beschikt over de technische, wettelijke of bestuurlijke middelen om de radioactieve afvalstoffen veilig te beheren, dan wel de radioactieve afvalstoffen een bestemming hebben binnen het grondgebied van zo'n Staat, of
d. Onze Minister de tijdelijke opslag in verband met het vervoer van de betrokken radioactieve afvalstoffen door een door Onze Minister en Onze andere Ministers erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen noodzakelijk acht en geen erkende ophaaldienst bereid is de betrokken radioactieve afvalstoffen tijdelijk in ontvangst te nemen, of
e. de opslag in verband met het vervoer door degene die de betrokken radioactieve afvalstoffen binnen Nederlands grondgebied brengt of aan wie zij worden afgegeven, niet kan geschieden overeenkomstig een vergunning, die geldt krachtens artikel 15, onder a, of 29 van de wet.
2. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikelen 15, onder a, en 29 van de wet, ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, indien het vervoerstraject onnodige risico's voor de openbare veiligheid of het milieu meebrengt.
3. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de afwijzende beschikking onverwijld mede aan:
a. de persoon, bedoeld in artikel 12, tweede lid;
b. het bevoegd gezag van de betrokken Staat of Staten buiten de Europese Unie, en
c. het bevoegd gezag van de lidstaten, aan wie goedkeuring is verzocht of aan wie blijkens de aanvraag goedkeuring zou zijn gevraagd, indien niet op grond van het eerste of tweede lid zou zijn geweigerd.
4. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, tweede lid.