BWBR0006258
Geldig vanaf 1994-02-01
Artikel 17
Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen
1. Onze Minister en Onze andere Ministers beschikken afwijzend op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 15, onder a, en 29 van de wetten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid:
a. uiterlijk twee weken na de datum waarop de weigering van het bevoegd gezag van één van de lidstaten aan wie goedkeuring is gevraagd is ontvangen;
b. ingeval door het bevoegd gezag van een lidstaat geen beslissing is genomen omtrent de goedkeuring uiterlijk acht weken na het verstrijken van de datum waarop die beslissing uiterlijk had moeten zijn genomen.
2. Het eerste lid, onder b, is uitsluitend van toepassing indien de betrokken lidstaat voor 1 januari 1994 de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft medegedeeld dat aan het door hem niet binnen de voor goedkeuring gestelde termijn beslissen niet het gevolg kan worden verbonden van een stilzwijgende goedkeuring.
3. Onze Minister stelt de Commissie onverwijld op de hoogte van een afwijzende beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder b.
4. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de beschikking op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 15, onder a, en 29 van de wetten behoeve van de verrichting, bedoeld in het eerste lid, onverwijld mede aan:
a. de persoon, bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid;
b. het bevoegd gezag van de betrokken Staat of Staten buiten de Europese Unie, en
c. de lidstaten aan wie goedkeuring is verzocht.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid.
a. uiterlijk twee weken na de datum waarop de weigering van het bevoegd gezag van één van de lidstaten aan wie goedkeuring is gevraagd is ontvangen;
b. ingeval door het bevoegd gezag van een lidstaat geen beslissing is genomen omtrent de goedkeuring uiterlijk acht weken na het verstrijken van de datum waarop die beslissing uiterlijk had moeten zijn genomen.
2. Het eerste lid, onder b, is uitsluitend van toepassing indien de betrokken lidstaat voor 1 januari 1994 de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft medegedeeld dat aan het door hem niet binnen de voor goedkeuring gestelde termijn beslissen niet het gevolg kan worden verbonden van een stilzwijgende goedkeuring.
3. Onze Minister stelt de Commissie onverwijld op de hoogte van een afwijzende beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder b.
4. Onze Minister deelt, namens Onze andere Ministers, de beschikking op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 15, onder a, en 29 van de wetten behoeve van de verrichting, bedoeld in het eerste lid, onverwijld mede aan:
a. de persoon, bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid;
b. het bevoegd gezag van de betrokken Staat of Staten buiten de Europese Unie, en
c. de lidstaten aan wie goedkeuring is verzocht.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3ten behoeve van het binnen Nederlands grondgebied brengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid.