BWBR0005266
Geldig vanaf 1992-07-15
Artikel 3
Bemanningseisenbesluit
1. Scheepstechnicus is de houder van een getuigschrift als scheepstechnicus, afgegeven door de inspecteur-generaal.
2. De adspirant scheepstechnicus dient:
a. 18 jaar of ouder te zijn;
b. in het bezit te zijn van het diploma scheepstechnicus, afgegeven op grond van de door Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen en Onze Minister goedgekeurde Eindexamenregeling van het project scheepstechnicus en het bijbehorende examenprogramma, dan wel van een overeenkomstig artikel 4, eerste lid, erkend bewijsstuk;
c. na het behalen van het onder b bedoelde diploma of bewijsstuk negen maanden diensttijd te hebben behaald aan boord van schepen met een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer en
d. gedurende die diensttijd ten genoegen van de inspecteur-generaal een praktijkboek te hebben bijgehouden.
3. De diensttijd, bedoeld in het tweede lid, onder c, mag ook zijn behaald aan boord van schepen met een voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW, mits aan boord van deze schepen een middelbaar maritiem officier M dienst doet.
4. Indien het praktijkboek niet in alle opzichten naar behoren is bijgehouden kan de inspecteur-generaal de adspirant scheepstechnicus een of meer aanvullende opdrachten geven, die binnen een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste zes maanden dienen te worden uitgevoerd.
2. De adspirant scheepstechnicus dient:
a. 18 jaar of ouder te zijn;
b. in het bezit te zijn van het diploma scheepstechnicus, afgegeven op grond van de door Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen en Onze Minister goedgekeurde Eindexamenregeling van het project scheepstechnicus en het bijbehorende examenprogramma, dan wel van een overeenkomstig artikel 4, eerste lid, erkend bewijsstuk;
c. na het behalen van het onder b bedoelde diploma of bewijsstuk negen maanden diensttijd te hebben behaald aan boord van schepen met een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer en
d. gedurende die diensttijd ten genoegen van de inspecteur-generaal een praktijkboek te hebben bijgehouden.
3. De diensttijd, bedoeld in het tweede lid, onder c, mag ook zijn behaald aan boord van schepen met een voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW, mits aan boord van deze schepen een middelbaar maritiem officier M dienst doet.
4. Indien het praktijkboek niet in alle opzichten naar behoren is bijgehouden kan de inspecteur-generaal de adspirant scheepstechnicus een of meer aanvullende opdrachten geven, die binnen een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste zes maanden dienen te worden uitgevoerd.