BWBR0004806
Geldig vanaf 1990-07-01
Artikel 11
Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad
1. De Raad kent drie Kamers, belast met de in artikel 12, eerste lidgenoemde taken ter zake van onderscheidenlijk de <a href="/wet/BWBR0002844" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945</a>, met de <a href="/wet/BWBR0003664" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945</a>en met de <a href="/wet/BWBR0002032" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet buitengewoon pensioen 1940-1945</a>, de <a href="/wet/BWBR0002035" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers</a>en de <a href="/wet/BWBR0003968" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet</a>.
2. De omvang en samenstelling van elk der Kamers worden bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
3. De voorzitters van elk der Kamers worden, op voordracht van Onze minister, bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Benoeming geschiedt steeds voor een periode van vier jaren.
4. De leden en plaatsvervangende leden van elk der Kamers worden benoemd, geschorst en ontslagen door Onze minister. Benoeming geschiedt, gehoord de in artikel 27bedoelde organisaties en instellingen, steeds voor een periode van vier jaren, met dien verstande dat elke twee jaar de helft van het aantal leden aftreedt overeenkomstig een door de desbetreffende Kamer vast te stellen rooster. De zittingsduur van het lid, dat is benoemd op een tussentijds opengevallen plaats, is gelijk aan de duur van de resterende zittingsperiode van het lid, in wiens plaats dit lid is benoemd.
2. De omvang en samenstelling van elk der Kamers worden bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
3. De voorzitters van elk der Kamers worden, op voordracht van Onze minister, bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Benoeming geschiedt steeds voor een periode van vier jaren.
4. De leden en plaatsvervangende leden van elk der Kamers worden benoemd, geschorst en ontslagen door Onze minister. Benoeming geschiedt, gehoord de in artikel 27bedoelde organisaties en instellingen, steeds voor een periode van vier jaren, met dien verstande dat elke twee jaar de helft van het aantal leden aftreedt overeenkomstig een door de desbetreffende Kamer vast te stellen rooster. De zittingsduur van het lid, dat is benoemd op een tussentijds opengevallen plaats, is gelijk aan de duur van de resterende zittingsperiode van het lid, in wiens plaats dit lid is benoemd.