BWBR0004806
Geldig vanaf 1990-07-01
Artikel 12
Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad
1. Elk der Kamers is, binnen haar taakgebied, belast met:
a. het vaststellen van beleidsregels met betrekking tot de wetstoepassing;
b. het, met inachtneming van de in artikel 9 bedoelde regels, nemen van beschikkingen ter zake van pensioenen, erkenningen, uitkeringen, vergoedingen en tegemoetkomingen als bedoeld bij of krachtens één der in artikel 3, onder a, genoemde wetten;
c. het voeren van het verweer in beroepsprocedures met betrekking tot de onder b bedoelde beschikkingen;
d. het ten behoeve van de besluitvorming van het bestuur ontwikkelen van de in het tweede lid bedoelde regels.
2. Van de bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan mandaat worden verleend aan de directeur. Het bestuur stelt hieromtrent, in overeenstemming met de desbetreffende Kamer, regels. Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
a. het vaststellen van beleidsregels met betrekking tot de wetstoepassing;
b. het, met inachtneming van de in artikel 9 bedoelde regels, nemen van beschikkingen ter zake van pensioenen, erkenningen, uitkeringen, vergoedingen en tegemoetkomingen als bedoeld bij of krachtens één der in artikel 3, onder a, genoemde wetten;
c. het voeren van het verweer in beroepsprocedures met betrekking tot de onder b bedoelde beschikkingen;
d. het ten behoeve van de besluitvorming van het bestuur ontwikkelen van de in het tweede lid bedoelde regels.
2. Van de bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan mandaat worden verleend aan de directeur. Het bestuur stelt hieromtrent, in overeenstemming met de desbetreffende Kamer, regels. Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.