1. Behoudens het bepaalde in artikel 14, zesde lid, worden op de uitkeringen, vermeerderd met de toeslagen als bedoeld in de artikelen 15en 17, in mindering gebracht:
a. indien de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, de bruto- inkomsten uit tegenwoordige arbeid in beroep of bedrijf, na aftrek van verwervingskosten, voorzover deze inkomsten 20% van de grondslag waarnaar de uitkering is berekend te boven gaan;
b. indien de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene ouderdomswet, heeft bereikt, en pensioengerechtigd is ingevolge de Algemene Ouderdomswet, het bruto-ouderdomspensioen krachtens die wet van de uitkeringsgerechtigde en de echtgenoot met inbegrip van de toeslag, bedoeld in artikel 10 van die wet, en de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet, voorzover dit niet meer bedraagt dan twee maal het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van die wet, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet;
c. de inkomsten uit vermogen van de uitkeringsgerechtigde en zijn echtgenoot;
d. de overige inkomsten, met uitzondering van inkomsten van de echtgenoot van de vervolgde alsmede van kinderbijslag uit welken hoofde of onder welke benaming ook genoten.
2. Bij de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onder a, b en d, worden jaarlijkse vakantie-uitkeringen van de uitkeringsgerechtigde voor 1/12 deel per maand op de uitkering in mindering gebracht.
3. Met inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld uitkeringen op grond van de
Ziekteweten de
Werkloosheidswet, alsmede de daarmede vergelijkbare uitkeringen welke worden verleend aan het overheidspersoneel.
4. Indien toepassing is gegeven aan artikel 11worden de inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf in mindering gebracht voorzover de som van de uitkering en die inkomsten de grondslag, bedoeld in artikel 8, overtreft.
5. De inkomsten uit vermogen, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden op jaarbasis gesteld op 1,78% van het vermogen dat de uitkeringsgerechtigde en zijn echtgenoot op het tijdstip van de aanvraag, bedoeld in artikel 30, bezitten. Van het aldus berekende bedrag wordt een bedrag vrijgelaten, waarvan de hoogte door Onze Minister wordt bepaald.
6. Bij bedrijfsbeëindiging vindt het bepaalde in het eerste lid, onder
cen het vijfde lid, van dat tijdstip af overeenkomstige toepassing.
7. Tot de inkomsten bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend doelgerichte subsidies of tegemoetkomingen, waaronder begrepen de vermeerdering, bedoeld in de
artikelen 10en
11 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de
artikelen 9en
10 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffersen de
artikelen 12,
13en
14 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, voorzover deze de toeslag, bedoeld in artikel 10, derde lid, of het bedrag, bedoeld in artikel 21b , indien dit is toegekend, overschrijdt.
8. Indien de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde eveneens recht heeft op enig pensioen als bedoeld in artikel 17, derde lid, en op dat pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van recht op ouderdomspensioen ingevolge de
Algemene Ouderdomswetvan tenminste 40% van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met 40% van de vakantie-uitkering, bedoeld in
artikel 29 van die wet, zijn het eerste tot en met achtste lid van toepassing, met dien verstande dat, in afwijking van het eerste lid, onder b, op schriftelijk verzoek van de uitkeringsgerechtigde 50% van het aan de uitkeringsgerechtigde en de echtgenoot toegekende bruto-ouderdomspensioen krachtens de
Algemene Ouderdomswet, met inbegrip van de vakantie-uitkering, bedoeld in
artikel 29 van die wet, op de uitkering in mindering wordt gebracht.
9. Indien de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde eveneens recht heeft op een uitkering ingevolge deze wet, zijn het eerste tot en met het negende lid van toepassing, met dien verstande dat:
a. in afwijking van het eerste lid, onder c, de inkomsten uit vermogen van de uitkeringsgerechtigde en de echtgenoot bij ieder voor de helft in mindering worden gebracht;
b. in afwijking van het vijfde lid, onder a, het in dat artikelonderdeel bedoelde bedrag wordt gehalveerd.
10. Onze Minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot de vaststelling van de inkomsten uit of in verband met arbeid in beroep of bedrijf en de daarop drukkende verwervingskosten, de overige inkomsten, alsmede met betrekking tot de vaststelling en de taxatie van het vermogen.