BWBR0004256
Geldig vanaf 1988-01-01
Artikel 5
Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening
1. Het subsidie ten behoeve van een voorziening, behorend tot een categorie opgenomen in onderdeel A van de bij deze regeling behorende bijlage 2bestaat, onverminderd het bepaalde in artikel 12uit het bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal subsidiabel gestelde eenheden als omschreven in die bijlage met het voor de desbetreffende eenheid overeenkomstig die bijlage vastgestelde normbedrag.
2. Ten aanzien van voorzieningen, behorend tot een categorie opgenomen in onderdeel B van de bij deze regeling behorende bijlage 2, bestaat, onverminderd het bepaalde in artikel 12het subsidie uit de som van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten van huisvesting tot een door de minister vastgesteld maximum en een bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal subsidiabel gestelde eenheden als omschreven in die bijlage met het voor de desbetreffende eenheid overeenkomstig die bijlage vastgestelde normbedrag.
3. De minister kan in bijzondere gevallen bepalen dat het subsidie in afwijking van het eerste en tweede lid wordt verleend in de werkelijk gemaakte subsidiabel gestelde kosten tot een daarbij aan te geven maximum. Daarbij kan worden bepaald op welke wijze er voor welke doeleinden aan te wijzen vermogensbestanddelen bij de vaststelling van het subsidie in aanmerking worden genomen.
2. Ten aanzien van voorzieningen, behorend tot een categorie opgenomen in onderdeel B van de bij deze regeling behorende bijlage 2, bestaat, onverminderd het bepaalde in artikel 12het subsidie uit de som van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten van huisvesting tot een door de minister vastgesteld maximum en een bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal subsidiabel gestelde eenheden als omschreven in die bijlage met het voor de desbetreffende eenheid overeenkomstig die bijlage vastgestelde normbedrag.
3. De minister kan in bijzondere gevallen bepalen dat het subsidie in afwijking van het eerste en tweede lid wordt verleend in de werkelijk gemaakte subsidiabel gestelde kosten tot een daarbij aan te geven maximum. Daarbij kan worden bepaald op welke wijze er voor welke doeleinden aan te wijzen vermogensbestanddelen bij de vaststelling van het subsidie in aanmerking worden genomen.