BWBR0004256
Geldig vanaf 1988-01-01
Artikel 18
Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening
1. Een uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid, zendt tijdig vóór het verstrijken van de door de erkende ambulante instelling vastgestelde termijn, alsmede indien hij voornemens is de hulpverlening binnen die termijn te beëindigen, aan de erkende ambulante instelling door wiens tussenkomst de jeugdige is opgenomen, een beschrijving van de verleende hulp, onder vermelding van de resultaten ervan. De uitvoerder geeft daarbij gemotiveerd aan, of en zo ja, waarom hij voortzetting van de hulpverlening bij hem noodzakelijk acht.
2. Beëindiging van hulpverlening ten aanzien waarvan artikel 17, eerste of tweede lid, is toegepast vindt plaats uiterlijk twee weken nadat de erkende ambulante instelling heeft vastgesteld dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, voortzetting van de hulpverlening voor de jeugdige niet aangewezen is.
3. Indien een uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid, voornemens is de hulpverlening te beëindigen, anders dan na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de erkenningsregeling, doet hij hiervan tijdig mededeling aan de erkende ambulante instelling die tot (her)plaatsing heeft geïndiceerd. Deze mededeling gaat vergezeld van een beschrijving van de verleende hulp, onder vermelding van de resultaten daarvan. De uitvoerder geeft daarbij gemotiveerd aan of hij verdere hulpverlening voor de jeugdige noodzakelijk acht en zo ja in welke vorm.
4. Van beëindiging van de hulpverlening wordt door de uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lidmededeling gedaan aan de erkende ambulante instelling die tot (her)plaatsing heeft geindiceerd.
2. Beëindiging van hulpverlening ten aanzien waarvan artikel 17, eerste of tweede lid, is toegepast vindt plaats uiterlijk twee weken nadat de erkende ambulante instelling heeft vastgesteld dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, voortzetting van de hulpverlening voor de jeugdige niet aangewezen is.
3. Indien een uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid, voornemens is de hulpverlening te beëindigen, anders dan na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de erkenningsregeling, doet hij hiervan tijdig mededeling aan de erkende ambulante instelling die tot (her)plaatsing heeft geïndiceerd. Deze mededeling gaat vergezeld van een beschrijving van de verleende hulp, onder vermelding van de resultaten daarvan. De uitvoerder geeft daarbij gemotiveerd aan of hij verdere hulpverlening voor de jeugdige noodzakelijk acht en zo ja in welke vorm.
4. Van beëindiging van de hulpverlening wordt door de uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lidmededeling gedaan aan de erkende ambulante instelling die tot (her)plaatsing heeft geindiceerd.