BWBR0004256
Geldig vanaf 1988-01-01
Artikel 3
Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening
1. Subsidie wordt slechts verleend indien de voorziening voldoet aan de eisen die met betrekking tot de kwaliteit ten aanzien van de desbetreffende categorie van voorzieningen zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
2. Subsidie wordt ten behoeve van een jeugdige slechts verleend indien degene die op grond van het Bijdragebesluit jeugdhulpverlening bijdrageplichtig is, zich heeft verbonden tot het betalen van een met toepassing van dat besluit berekende bijdrage, tenzij ontheffing is verleend van de voorwaarde een ondertekend ouderbijdrageformulier in te zenden.
3. Subsidie wordt ten behoeve van een minderjarige jeugdige niet verleend indien diens wettelijke vertegenwoordiger schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de hulpverlening, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.
4. Indien het betreft hulpverlening in een voorziening van residentiële hulpverlening aan een jeugdige die door een raad voor de kinderbescherming daar is geplaatst ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van de ouderlijke macht of van de voogdij, wordt het subsidie gedurende ten hoogste drie maanden verstrekt.
2. Subsidie wordt ten behoeve van een jeugdige slechts verleend indien degene die op grond van het Bijdragebesluit jeugdhulpverlening bijdrageplichtig is, zich heeft verbonden tot het betalen van een met toepassing van dat besluit berekende bijdrage, tenzij ontheffing is verleend van de voorwaarde een ondertekend ouderbijdrageformulier in te zenden.
3. Subsidie wordt ten behoeve van een minderjarige jeugdige niet verleend indien diens wettelijke vertegenwoordiger schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de hulpverlening, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.
4. Indien het betreft hulpverlening in een voorziening van residentiële hulpverlening aan een jeugdige die door een raad voor de kinderbescherming daar is geplaatst ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van de ouderlijke macht of van de voogdij, wordt het subsidie gedurende ten hoogste drie maanden verstrekt.