BWBR0004256
Geldig vanaf 1988-01-01
Artikel 17
Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening
1. Hulpverlening in een voorziening van residentiële, hulpverlening, met uitzondering van de medische kindertehuizen en de voorzieningen opgenomen in de bij deze regeling behorende lijst A, vindt slechts plaats, indien een erkende ambulante instelling niet langer dan twee maanden tevoren heeft vastgesteld dat die hulpverlening voor de betrokken jeugdige aangewezen is te achten. De hulpverlening geschiedt slechts gedurende de termijn, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de erkenningsregeling.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voortzetting van de hulpverlening aan de jeugdige na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn.
3. Het eerste en het tweede lid is niet van toepassing, indien het betreft hulpverlening aan een jeugdige ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening als bedoeld in het eerste lid, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.
4. In acute noodsituaties is het eerste lid niet van toepassing.
5. Hulpverlening in gevallen als bedoeld in het vierde lid geschiedt voor ten hoogste veertien dagen. Van de aanvang van de hulpverlening wordt, indien deze niet plaatsvond door tussenkomst van een erkende ambulante instelling, zo spoedig mogelijk onder opgave van redenen mededeling gedaan aan een erkende ambulante instelling. Van een zodanige plaatsing wordt onmiddellijk mededeling gedaan aan de minister.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voortzetting van de hulpverlening aan de jeugdige na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn.
3. Het eerste en het tweede lid is niet van toepassing, indien het betreft hulpverlening aan een jeugdige ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening als bedoeld in het eerste lid, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.
4. In acute noodsituaties is het eerste lid niet van toepassing.
5. Hulpverlening in gevallen als bedoeld in het vierde lid geschiedt voor ten hoogste veertien dagen. Van de aanvang van de hulpverlening wordt, indien deze niet plaatsvond door tussenkomst van een erkende ambulante instelling, zo spoedig mogelijk onder opgave van redenen mededeling gedaan aan een erkende ambulante instelling. Van een zodanige plaatsing wordt onmiddellijk mededeling gedaan aan de minister.