BWBR0004256
Geldig vanaf 1988-01-01
Artikel 15
Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening
1. Indien de subsidiëring heeft bijgedragen tot het verwerven van eigendommen of anderszins tot de vorming van vermogen, is de uitvoerder aan het Rijk een door de minister vast te stellen vergoeding verschuldigd bij vervreemding van eigendommen, bij beëindiging van de activiteiten, bij beëindiging van de subsidiëring en bij ontbinding van de uitvoerder. In voorkomende gevallen doet hij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister.
2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt.
Indien het onroerend goed betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.
3. Indien de activiteiten van de uitvoerder met toestemming van de minister door een andere uitvoerder worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die andere uitvoerder in eigendom worden overgedragen, is de uitvoerder ter zake in afwijking van het eerste lid geen vergoeding verschuldigd.
2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt.
Indien het onroerend goed betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.
3. Indien de activiteiten van de uitvoerder met toestemming van de minister door een andere uitvoerder worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die andere uitvoerder in eigendom worden overgedragen, is de uitvoerder ter zake in afwijking van het eerste lid geen vergoeding verschuldigd.