BWBR0004150
Geldig vanaf 1987-05-29
Artikel 23a
Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
1. Voor de vaststelling van de uitworp aan zwaveldioxide in de rookgassen van stookinstallaties in een raffinaderij dient, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden en betrokken op de werkelijke tijd dat de stookinstallatie in gebruik is, te worden berekend en vervolgens te worden geregistreerd:
a. indien artikel 37, vijfde lid, van het besluit van toepassing is, van iedere kalenderdag het 24-uursgemiddelde van de massaconcentratie aan zwaveldioxide in de rookgassen;
b. indien 37, zesde lid, van toepassing is, 1º. iedere kalenderdag, van de twee voorafgaande dagen, het 48-uursgemiddelde en,
2º. van iedere kalendermaand, het kalendermaandgemiddelde van de massaconcentratie aan zwaveldioxide in de rookgassen;
1º. iedere kalenderdag, van de twee voorafgaande dagen, het 48-uursgemiddelde en,
2º. van iedere kalendermaand, het kalendermaandgemiddelde van de massaconcentratie aan zwaveldioxide in de rookgassen;
2. Voor zover de uitworp aan zwaveldioxide afkomstig van stookinstallaties in een raffinaderij wordt bepaald door continue meting dient de berekening, bedoeld in het eerste lid, te geschieden aan de hand van de ingevolge artikel 14voor de betreffende stookinstallaties geregistreerde gegevens.
3. De gemiddelde waarden bedoeld in het eerste lid, dienen te worden herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof als bepaald in artikel 4, eerste lid, van het besluit.
4. De 48-uursgemiddelde waarden verkregen na toepassing van het eerste, tweede en derde lid, dienen in klassen te worden ingedeeld en per kalenderjaar als percentielwaarden te worden geregistreerd.
5. De klassen, bedoeld in het vierde lid, dienen zodanig te zijn vastgesteld, dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 37, zesde lid, van het besluit.
a. indien artikel 37, vijfde lid, van het besluit van toepassing is, van iedere kalenderdag het 24-uursgemiddelde van de massaconcentratie aan zwaveldioxide in de rookgassen;
b. indien 37, zesde lid, van toepassing is, 1º. iedere kalenderdag, van de twee voorafgaande dagen, het 48-uursgemiddelde en,
2º. van iedere kalendermaand, het kalendermaandgemiddelde van de massaconcentratie aan zwaveldioxide in de rookgassen;
1º. iedere kalenderdag, van de twee voorafgaande dagen, het 48-uursgemiddelde en,
2º. van iedere kalendermaand, het kalendermaandgemiddelde van de massaconcentratie aan zwaveldioxide in de rookgassen;
2. Voor zover de uitworp aan zwaveldioxide afkomstig van stookinstallaties in een raffinaderij wordt bepaald door continue meting dient de berekening, bedoeld in het eerste lid, te geschieden aan de hand van de ingevolge artikel 14voor de betreffende stookinstallaties geregistreerde gegevens.
3. De gemiddelde waarden bedoeld in het eerste lid, dienen te worden herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof als bepaald in artikel 4, eerste lid, van het besluit.
4. De 48-uursgemiddelde waarden verkregen na toepassing van het eerste, tweede en derde lid, dienen in klassen te worden ingedeeld en per kalenderjaar als percentielwaarden te worden geregistreerd.
5. De klassen, bedoeld in het vierde lid, dienen zodanig te zijn vastgesteld, dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 37, zesde lid, van het besluit.