BWBR0004150
Geldig vanaf 1987-05-29
Artikel 24
Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
1. Voor de bemonstering van een brandstof en voor de bepaling van het zwavelgehalte van een brandstof is het Besluit bepalingsmethode zwavelgehalte brandstoffen(Stcrt. 1974, 215) van toepassing.
2. De bepaling van het stikstofgehalte van een vloeibare brandstof dient te geschieden volgens de methode ASTM D 3228.
3. De bepaling van het asgehalte van een vloeibare brandstof dient te geschieden volgens de methode ASTM D 482.
4. De bepaling van het stofgehalte van een gasvormige brandstof dient te geschieden volgens de richtlijn NPR 2788.
5. De bepaling van de stookwaarde van een brandstof dient, tenzij het zesde lid wordt toegepast, te geschieden:
1º . bij vaste brandstoffen volgens de norm NEN-ISO 1928;
2º . bij zware stookolie volgens de norm NEN 1884;
3º . bij andere vloeibare brandstoffen volgens de methode ASTM D 2382;
4º . bij gasvormige brandstoffen volgens de methode ASTM D 1826.
6. Indien voor de stookwaarde van een vloeibare brandstof of van aardgas een in de praktijk gangbare waarde beschikbaar is, mag deze waarde worden gehanteerd.
7. In afwijking van het eerste tot en met het vijfde lid mogen ook andere methoden worden toegepast, indien kan worden aangetoond dat met deze andere methode:
a. meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen volgens de desbetreffende methode genoemd in het eerste, tweede of derde lid, en
b. een gelijke of betere herhaalbaarheid wordt verkregen dan met de betreffende methode genoemd in het eerste, tweede of derde lid.
2. De bepaling van het stikstofgehalte van een vloeibare brandstof dient te geschieden volgens de methode ASTM D 3228.
3. De bepaling van het asgehalte van een vloeibare brandstof dient te geschieden volgens de methode ASTM D 482.
4. De bepaling van het stofgehalte van een gasvormige brandstof dient te geschieden volgens de richtlijn NPR 2788.
5. De bepaling van de stookwaarde van een brandstof dient, tenzij het zesde lid wordt toegepast, te geschieden:
1º . bij vaste brandstoffen volgens de norm NEN-ISO 1928;
2º . bij zware stookolie volgens de norm NEN 1884;
3º . bij andere vloeibare brandstoffen volgens de methode ASTM D 2382;
4º . bij gasvormige brandstoffen volgens de methode ASTM D 1826.
6. Indien voor de stookwaarde van een vloeibare brandstof of van aardgas een in de praktijk gangbare waarde beschikbaar is, mag deze waarde worden gehanteerd.
7. In afwijking van het eerste tot en met het vijfde lid mogen ook andere methoden worden toegepast, indien kan worden aangetoond dat met deze andere methode:
a. meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen volgens de desbetreffende methode genoemd in het eerste, tweede of derde lid, en
b. een gelijke of betere herhaalbaarheid wordt verkregen dan met de betreffende methode genoemd in het eerste, tweede of derde lid.